facebookglueinstagramlinkedinpinteresttwitter
Kies je taal:

Nooit meer slapen (Beyond Sleep)


1966, prose

Het fragment situeert zich in het begin van hoofdstuk 19.

In de Volledige werken is dat p. 525-526. (Deel 3. Amsterdam: De Bezige Bij / Van Oorschot, 2010).

Zoals een uitgehongerde gevangene geen ogenblik vergeet dat iedere aardappel, zelfs een stukje aardappelschil nog voedsel bevat, zo wordt afstand voor mij een kostbaar goed, mondjesmaat ter beschikking gesteld door elke stap.

Iedere stap maakt de vijfentwintig kilometer die ik moet afleggen korter. Iedere stap is er toch altijd weer een. Mijn mond en keel zijn droog als papier, door het hijgen.

Hoe mijn schedel ook van hoofdpijn uit elkaar dreigt te zullen vallen, hoe ik alle spieren ook gebruiken moet om mijn evenwicht te bewaren onder de vracht op mijn rug, ik kom vooruit. Wij komen vooruit. De grens waarbij wij niet meer vooruit zouden kunnen komen, is nog lang niet bereikt.

Denk aan de hunebedbouwers, die over de hei gesleept hebben met stenen van vijfduizend kilo! Hoe zij erin geslaagd zijn ze te verplaatsen zonder paarden, zonder takels, zonder wielen. Raadsel! Maar misschien hebben ze er generaties lang aan gezwoegd om op een bepaalde plaats twintig tot dertig van die grote stenen bij elkaar te brengen. Wat het bouwen van een kathedraal in de Middeleeuwen was, dat was het verschuiven van een grote steen in de oertijd. Ze voortgewrikt met boomstammen, elke dag een halve meter. Maakt honderdvijftig meter in een jaar. Maakt anderhalve kilometer in tien jaar. Hoeveel van die stenen die zij groot genoeg vonden, zouden er toen per vierkante kilometer in Drente gelegen hebben? Hoe groot is de straal geweest van het gebied waarbinnen zij die grote stenen hebben verzameld? Tien kilometer? Twintig kilometer? Meer toch niet. Het is te doen geweest, al heeft het lang geduurd. Alles is te doen voor wie niet op tijd let, voor wie in zijn kleinkinderen en in de kleinkinderen van zijn kleinkinderen gelooft, voor wie gelooft dat de mensheid een taak heeft – het bouwen van een hunebed…

Kathedralen bouwen duurde nog veel langer en is ook nergens goed voor geweest. De hunebedden waren hun kathedralen. Wat is mijn kathedraal? Ik werk aan een kathedraal die ik niet ken en als hij voltooid is, zal ik er niet meer zijn en niemand zal weten dat ik eraan heb gewerkt.

De helling wordt naar boven toe droger. Hij wordt ook minder steil en is ten slotte helemaal geen helling meer.

Op grote stenen laten wij onze rugzakken liggen. Wij hebben twintig minuten gesjouwd. Qvigstad loopt rond, zwaait een kolossale hamer aan een steel van een halve meter lang. Hij loopt naar een suikerwitte rots, hakt er een stuk af en roept:

– Ik sla moeder aarde een tand uit!

Arne maakt zijn versleten fototasje open en zijn oude Leica komt tevoorschijn, door Arne zo voorzichtig vastgehouden of het een antikwiteit van porselein betrof. Hij brengt het toestel aan zijn oog. Het is aan alle kanten versleten en geel koper kiert door de zwarte lak.

Arne drukt af, schudt zijn hoofd meewarig en zegt:

– Perhaps…