facebookglueinstagramlinkedinpinteresttwitter
Kies je taal:

De Aanslag
Harry Mulisch


1982, proza
Mulisch Cover

Als er in de 20ste-eeuwse Nederlandse romanliteratuur één echte klassieker is, dan wel De Aanslag. ‘Klassieker’ in de brede betekenis van het woord, nl. als een werk waaraan grote pedagogische waarde wordt toegekend en dat in schoolverband blijvend wordt gelezen.

De roman is ook 'klassiek' in de heldere structuur en in de subtiele verwijzing naar de literatuur uit de klassieke oudheid, zowel qua thematiek als vormgeving.

De thematiek wordt symbolisch aangezet via een motto uit de Epistulae van Plinius de Jongere, over de uitbarsting van de Vesuvius: een donkerte die plots uit het hemellicht valt en nog jaren later als een aswolk zijn sporen nalaat. Die sporen worden geleidelijk duidelijker in de loop van een geschiedenis die verteld wordt in vijf episoden, zoals in de vijf bedrijven van de Griekse tragedie.

Die episoden worden voorafgegaan door een proloog waarin we de plaats van het gebeuren en de hoofdpersoon van het verhaal leren kennen: Anton Steenwijk. De daarop volgende, chronologisch opgebouwde geschiedenis begint in de hongerwinter van 1945, aan het einde van de Tweede Wereldoorlog. Vóór het huis van de twaalfjarige Anton in Haarlem wordt Fake Ploeg neergeschoten, een NSB’er. Zijn huis wordt afgebrand, en de ouders en oudere broer van Anton moeten het met de dood bekopen. Hijzelf wordt opgepakt en na verhoor bij een oom en tante naar Amsterdam gebracht.

De vragen rond de ‘aanslag’, zowel wat de feitelijke omstandigheden als de sociale en morele implicaties betreft, krijgen in de daaropvolgende episodes, ondanks de passiviteit van Anton, geleidelijk een verklaring. Die episodes zijn geordend rond een voorval of breder politiek feit: een bezoek aan de plaats waar het ouderlijk huis had gestaan (1952), de Russische (communistische) invasie in Hongarije (1956), de begrafenis van een familievriend, provo’s en de oorlog in Vietnam (1966) en ten slotte de vredesbetoging in Amsterdam tegen de atoombewapening (1981).

Via toevallige ontmoetingen wordt het beeld van de aanslag uit 1945 stukje bij beetje bijgesteld en krijgt Anton (en samen met hem ook de lezer) meer zicht op wat er gebeurd is. Toch blijft Anton een afstandelijke observator van de gebeurtenissen. Hij wil vergeten, maar kan het niet. Daardoor dreigt voor de lezer de nadruk niet meer op de emotionele beleving te gaan liggen, maar op de sociaal-politieke en ethische thematiek van het verhaal: de precaire en onoplosbare kwestie van (on)schuld en verantwoordelijkheid.

Gelukkig wordt de filosofische gelaagdheid van het verhaal geconcretiseerd in geëngageerde nevenpersonages die de schuldvraag verpersoonlijken en concretiseren. Dat laatste heeft waarschijnlijk (naast de politieke geladenheid van oorlog, verzet en collaboratie in Nederland, en de latere verfilming door Fons Rademakers) het grote en blijvende succes van de roman mee bepaald.

In de eerste plaats is er Truus Coster, die is geïnspireerd op de verzetsheldin Hannie Schaft. Truus laat op de twaalfjarige Anton een diepe indruk na, en die indruk laat hem niet meer los. Daarnaast is er haar metgezel en vriend Cor Takes, verzetsman en mededader van de moord op Ploeg. Dan is er zijn schoolkameraad, Fake Ploeg Junior, die via de vernedering ook de andere kant van de schuldvraag laat zien. En ten slotte is er Antons vroegere buurmeisje Karin Korteweg, die ook haar ‘schuld’ (het verleggen van het lijk van Ploeg vóór het huis van de Steenwijks) kwijt wil.

Maar je schuld echt kwijt geraken, dat lukt blijkbaar niet. Het verhaal eindigt dan ook, refererend aan het motto, met wolkjes as die worden opgeworpen.

Links:

Harry Mulisch Huis

Deaanslag

Harry Mulisch

Mulisch (Vermelden  Hans Van  Dijk  Anefo)

Harry Mulisch (Haarlem, 1927 – Amsterdam, 2010) beleefde zijn jeugd in een moeilijke periode. Zijn vader was afkomstig uit Oostenrijk-Hongarije. Zijn moeder was een joodse bankiersdochter geboren in Antwerpen. Thuis werd er Duits gesproken, maar Harry Mulisch werd opgevoed in het Nederlands door een uit Polen afkomstige gouvernante. Toen het huwelijk van zijn ouders in 1936 op de klippen liep bleef Mulisch bij zijn vader wonen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog collaboreerde vader Mulisch als bankdirecteur met de Duitsers, maar hij slaagde er via zijn relaties wel in zijn zoon en zijn ex-vrouw te behoeden voor deportatie. Na de oorlog bracht hij een tijd door in een interneringskamp voor collaborateurs, terwijl moeder Mulisch in 1951 emigreerde naar de Verenigde Staten. De complexe jeugd van Mulisch en vooral zijn ervaringen in de Tweede Wereldoorlog hebben een grote invloed gehad op zijn leven en werk.

Hoewel Mulisch naar eigen zeggen al op jonge leeftijd tot het schrijven aangetrokken werd, debuteerde hij pas na de oorlog met het korte verhaal De kamer (1947), in 1951 gevolgd door zijn eerste roman Archibald Strohalm. Hij is echter vooral gekend voor zijn latere werk, waaronder romans als De aanslag (1982) en De ontdekking van de hemel (1992). Andere romans die nog steeds tot de verbeelding spreken zijn Het stenen bruidsbed (1959) en Twee vrouwen (1975). Maar Mulisch schreef niet enkel romans: met dichtbundels als Tegenlicht (1975) en toneelstukken als Oidipus Oidipus (1972) toonde hij zich een veelzijdig auteur.

Samen met Willem Frederik Hermans en Gerard Reve wordt Mulisch gerekend tot de ‘Grote Drie’ van de naoorlogse literatuur uit Nederland. Na het overlijden van Hermans (1998) en Reve (2006) ging hij door het leven als de nestor van de Nederlandse literatuur. Mulisch was als auteur en publieke figuur erg zelfverzekerd, waardoor hij ook arrogant en elitair kon overkomen.

Mulisch genoot een enorm succes. Hij kreeg onder meer de Constantijn Huygensprijs (1977), de P. C. Hooftprijs (1977) en de Prijs der Nederlandse Letteren (1995). Zijn werk werd in tientallen talen vertaald, waardoor hij ook in het buitenland verschillende prijzen en onderscheidingen in ontvangst mocht nemen. Ook na zijn dood blijft hij, dankzij de vele verfilmingen en vertalingen van zijn werk, een van de bekendste Nederlandse schrijvers van zijn tijd.

Context