apocrief / de analphabetische naam
Lucebert


1952, poëzie
apocrief / de analphabetische naam

In het gedicht 'school der poëzie' (een titel die verwijst naar de Verzen van Gorter, ook in deze canon opgenomen) laat Lucebert er geen misverstand over bestaan:

ik ben geen lieflijke dichter
ik ben de schielijke oplichter
der liefde, zie onder haar de haat
en daarop een kaaklende daad.

De lieflijke dichters, dat waren in zijn ogen de dichters die ook na de Tweede Wereldoorlog graag bleven geloven in de traditionele waarden van goedheid en schoonheid, alsof die niet door de gruwelen van die oorlog definitief failliet waren verklaard. Hen zegt hij de wacht aan:

ik bericht, dat de dichters van fluweel
schuw en humanisties dood gaan.
voortaan zal de hete ijzeren keel
der ontroerde beulen muzikaal opengaan.

Dat een nieuwe tijd ook een nieuwe poëzie nodig had, daarvan waren Lucebert en zijn experimentele kornuiten doordrongen. Immers: 'in deze tijd heeft wat men altijd noemde / schoonheid schoonheid haar gezicht verbrand'.

Voor die nieuwe poëzie kwam het erop aan alle overgeleverde schoonheidsidealen achterwege te laten en met een schone lei te herbeginnen. De rede, het gezond verstand, de goede smaak, ze moesten er allemaal aan geloven. In de plaats daarvan kwamen het lichaam, de intuïtie en de ongecensureerde authenticiteit. De dichter was niet langer de heerser over de taal en de vorm van het gedicht. Hij moest zich integendeel overleveren aan de taal en aan de mysterieuze en onvatbare betekenissen die eruit opdoemen:

Ik heb daarom de taal
in haar schoonheid opgezocht
hoorde daar dat zij niet meer menselijks had
dan de spraakgebreken van de schaduw
dan die van het oorverdovend zonlicht

De gedichten die deze uitgangspunten in de praktijk brengen, zijn een vuurwerk van taal. Hele en halve, mogelijke en uitgesproken, verenigbare en onverenigbare betekenissen buitelen er over elkaar heen, lichten op en verdwijnen weer. De lezer die verlangt naar helderheid is hier aan het verkeerde adres, maar voor wie bereid is ook duisterheid, voorlopigheid en tegenspraak te accepteren, bieden deze gedichten een onuitputtelijke taalervaring, een feest.

Niet toevallig groepeert de afdeling 'de getekende naam' gedichten over enkele grote namen uit de moderne kunst: Arp, Brancusi, Moore, Mirò, Klee… Stuk voor stuk geestesverwante kunstenaars die met kleur, licht en vormen een universum hebben geschapen van betekenissen die het rationele ver achter zich laten. De vloeiende, ronde vormen van de sculpturen van Henri Moore rollen als het ware over in de taal van de dichter:

het is de aarde die drijft en rolt door de mensen
het is de  lucht die zucht en blaast door de mensen

De wildheid, het irrationalisme en de manier waarop taboes in deze gedichten werden doorbroken konden aanvankelijk op weinig bijval rekenen. Critici noemden deze poëzie 'een verraad aan de geest' en 'een aanranding van de cultuur'.

Dat kon niet verhinderen dat apocrief / de analphabetische naam al een jaar na verschijnen bekroond werd met de Poëzieprijs van de gemeente Amsterdam. Verkleed als 'Keizer der Vijftigers' wilde Lucebert in het Stedelijk Museum de prijs in ontvangst gaan nemen. Maar de toegang werd hem en zijn gevolg ontzegd. Er waren nog grenzen aan de tolerantie.

apocrief / de analphabetische naam - Daniel

Lucebert

Lucebert
Lucebert (1924-1994) heette eigenlijk Lubertus Jacobus Swaanswijk. Hij is geboren in Amsterdam, maar bleef nooit lang op dezelfde plaats. In plaats daarvan reisde hij naar Parijs, Rome en Berlijn, en woonde hij vanaf 1973 deeltijds in Spanje. Ondertussen maakte hij furore als dichter én als schilder.
 
Lucebert was de voorman van de Vijftigers, een groep jonge dichters die op allerlei manieren met nieuwe vormen van poëzie experimenteerden. Hij werd daarom de ‘Keizer der Vijftigers’ genoemd. Zijn poëzie was aards gericht, lichamelijk, en erg beeldend.
 
Zijn debuut, triangel in de jungle / de dieren der democratie (1951), viel meteen op, maar met apocrief /de analphabetische naam (1952) zette hij zichzelf helemaal op de kaart. Andere bundels uit die vroege periode zijn de amsterdamse school (1952), van de afgrond en de luchtmens (1953), amulet (1957) en val voor vliegengod (1959).
 
Daarna nam hij even afstand van de poëzie en concentreerde hij zich op zijn schilderijen. Hij schilderde volgens de principes van Cobra, een avant-gardebeweging die op een intuïtieve, spontane manier wilde creëren. De latere gedichten van Lucebert, zoals oogsten in de dwaaltuin (1981) zijn inhoudelijk noodlottiger van inslag.
 
Luceberts werk werd vaak bekroond. Driemaal kreeg hij de Poëzieprijs van Amsterdam. Hij ontving ook de Constantijn Huygensprijs (1965), de P.C. Hooftprijs (1967) en de Nederlands-Belgische Prijs der Nederlandse Letteren (1983).

context