Een naturalistisch boek?


1900, proza

Couperus wordt beschouwd als een naturalist. In werken als Eline Vere, Noodlot en De berg van licht is dat naturalisme veel duidelijker aanwezig dan in De stille kracht, maar toch valt ook hier heel wat te ontdekken.

Om te beginnen is er de voorkeur voor anti-helden: Van Oudijck, Léonie, Eva, de jonge regenten, allen verliezen ze de strijd. De mens is de machteloze speelbal van een noodlot dat alles beschikt. 'Illuzie' is een sleutelwoord: geen enkele droom gaat in vervulling.

En dan zijn er natuurlijk nog de drie Franse kernwoorden van het naturalisme: race, milieu en moment'. Dat het 'milieu' in De stille kracht een cruciale rol speelt, blijkt uit elke bladzijde. Van Oudijck schrijft zijn aftakeling toe aan 'invloed van het klimaat' en is ervan overtuigd dat het goed zou zijn indien hij 'zijn bloed, zijn geest verfrischte in Europa'. Léonie probeert aan de vernietigende invloed van het Oosten te ontkomen door naar Parijs te vluchten. Zelfs binnen Nederlands-Indië is het fictieve Laboewangi een relatief braaf nest in vergelijking met Batavia, waar Léonie schaamteloos ‘ontvangt’. Ook het 'moment' speelt een cruciale rol. De koloniale glorietijd is voorbij. Voorlopig sluimert de opstand nog, maar dat ze op een dag in alle hevigheid zal losbarsten, is in alles onherroepelijk voelbaar. En dan is er nog 'race'. Over Addy de Luce wordt gezegd dat in hem 'het bloed van de Solosche prinses en dat van den Franschen avonturier zich harmonieus vermengd hadden, menging, die hem wel geen hersenen had gegeven, maar een mooiheid van jongen sinjo, met iets van een Moor, iets verleidelijk zuidelijks, iets Spaansch, - alsof in dit laatste kind de beide zoo vreemde elementen van ras zich voor het eerst harmonieus hadden gepaard'. Zijn lichaam was 'een wedergeboorte van ras'. Dat hij zo verleidelijk kan dansen komt voort uit 'het bloed van zijn moeder'. Theo haat zijn stiefvader Van Oudijck 'om een geheimzinnige bloed-antipathie'. En Van Oudijck haat – net als Couperus – doodeenvoudig alles wat 'halfras' is.

Naturalist Couperus spreekt nergens een oordeel uit over zijn personages en probeert zich zo goed mogelijk te verbergen door gebruik te maken van Erlebte Rede, door te kiezen voor een neutraal vertelstandpunt en door zich voor te doen als een toeschouwer die niet kan weten wat er werkelijk omgaat in zijn personages. Zinnen als 'Ze [= Doddy] was misschien zeventien jaar' en 'Misschien had hij van een Fransche moeder dat exotisch beleefde en hoffelijke' moeten de lezer doen geloven dat de auteur bijlange niet alles weet, maar slechts observator is, of beter nog: een soort van psycholoog die probeert om het gedrag en het denken van zijn personages te begrijpen op basis van wat zich, onafhankelijk van hem, voor zijn ogen afspeelt. En er is natuurlijk de erotiek, die niet alleen bij het verschijnen van het boek en nog lang daarna felle reacties uitlokte, maar evenzeer toen het te zien was op de televisie, met Pleuni Touw (zie afbeelding) als poedelnaakte Léonie.

Typisch voor het Noord-Nederlandse naturalisme is de combinatie van een koel-registrerende inhoud met een overladen impressionistische stijl. Dat schrikt sommige lezers af, maar je went er sneller aan dan je gehoopt of gevreesd had. Bovendien zijn de nieuwe samenstellingen, ongewone woordvolgordes en talrijke tegenwoordige deelwoorden bij Couperus altijd functioneel. Ze creëren mee de sfeer van geheimzinnigheid en tragiek.