Gedichten van den Heere Pieter C. Hooft
P.C. Hooft


1636, po√ęzie
Gedichten van den Heere Pieter C. Hooft

Lijvig en fraai was de uitgave van Hoofts Gedichten in 1636 beslist geworden. Jacob van der Burgh - zelf dichter maar ook vertrouweling van Huygens en Hooft - stelde Hooft in zijn inleiding bij deze gedichten voor als de meest getalenteerde literator: in zijn werk kunnen de lezers ‘vry wat meer pits als in anderen […] vinden’.

Hooft gold als het ‘hooft der Poëten’ (1615), of zoals zijn vroegste biograaf Brandt het verwoordde (1671):

Wie Hooft hier poogt te steeken naar de kroon,
Die vliegt op ’t spoor van Dedaals dwaazen zoon.
 
Om verschillende redenen vond Van der Burgh de uitgave hoognodig: ‘Het meerendeel van deze werken waeren by zijn E: [Hooft] de vergetelheidt al opgeoffert, ’t en waere ikze met smeeken hadde uit den brand gehouden’. Hooft zelf was in die jaren vooral aan het werk als historieschrijver, maar op aandringen van Van der Burgh en Brosterhuizen had hij ‘eenige weeken’ vrijgemaakt, om zijn ‘jeughlijcke rijmen bij een te raepen’ (Hooft aan Baak, 1633).

De term Gedichten dient voor deze uitgave breed te worden geïnterpreteerd, met zeer diverse afdelingen: toneelspelen, liefdesemblemen, sonnetten en liederen, naast ‘Verscheyde gedichten’, ‘bruyloft-dichten’ en psalmberijmingen. Genres die nu als bi- of multimediaal gelden, werden in deze druk vooral om hun literaire gehalte gewaardeerd, of zoals een drukker het met betrekking tot Hoofts toneelspel Achilles en Polyxena (1614) aangaf: om de ‘overgroote vloeyentheyt vande Poëtsche dichten’. Literaire kunstigheid en het beroeren van het gemoed vormen de kern:

zoo kunstigh heeft de dichter […] de rechte toonen, daer onze gemoeden van geraekt werden, weten uit te boezemen, en met zulke fraeyigheid op te pronken, datze alle de bewegingen van onze innerlijkste gedachten bemaghtigen.

De bundeling was bestemd voor de ‘tedere hartjens daer het minnen zoo op vat’, voor wie ‘met rijper ooghen, op een toonneel, de drift van der menschen hertstoghten […] wil aenschouwen’ of ‘zijn ziel met Bibelstoffe […] onderhouden’.

Overeenkomstig de normen in 1636 zou Hooft zijn jeugdrijmen uitziften of ‘verschrijven’. Een verzameld oeuvre is de uitgave van 1636 niet geworden, wel een strenge selectie en correctie op taal- en verstechnisch vlak: alleen ‘echte kinderen en die hy daer voor houdt’ werden opgenomen.

Om dit nieuwe literaire kapitaal kon de toenmalige dichtersgemeenschap niet heen. De correcties betroffen ook de liederen. In 1623 had Hooft met Huygens gediscussieerd over de vraag of in een lied het muziek- en het woordaccent wel of niet met elkaar moesten overeenstemmen. Hooft, anders dan Huygens, vond een strak aangehouden metrum niet nodig. De melodie was een ‘deuntjen’: de tekst ontwikkelde zich met metrische vrijheid ‘op t gelejde der ooren’. Later zou Hooft zijn visie scherper afstemmen op Huygens’ opvattingen. Bij de voorbereiding van de uitgave in 1636 vertrouwde hij op Van der Burgh en Brosterhuizen als ‘de bequaemste in ’t landt om de liedekens op zangmaet te stellen’ (Hooft aan Baak, 1633).

De bundel Gedichten werd dus vooral een taal- en dichtkunstwerk. Van der Burgh had Huygens zelfs gevraagd zijn ‘oog eens te laten gaen over de rimen’. Op Huygens’ aanwijzen bepleitte Van der Burgh dat alleen Hoofts eigen verzen uit diens emblemen werden opgenomen, zonder gravures en zonder de Latijnse en Franse verzen; deze deden alleen maar afbreuk ‘aen so geestig een werck’ (Van den Burgh aan Hooft, 1634). Hooft ging er niet op in. Zijn eigen verzoek om de ‘Reien’ uit de toneelspelen en de liederen van gedrukt muziekschrift te voorzien, heeft het evenmin gehaald. Uit de gedachtewisseling blijkt in elk geval de pregnante betekenis van de term Gedichten in 1636.

De editie van 1636 vormt de basis voor de latere uitgaven in druk. Vanaf de negentiende eeuw zouden het beeld van de dichter en de beschikbaarheid en het onderzoek van zijn dichtwerk echter vooral worden bepaald door Hoofts handschriftelijke versies, die alle ruimte leken te bieden voor een autobiografische inbedding van het oeuvre.

De persoonlijke toon van Hoofts lyriek binnen het gangbare repertoire van de Europese liefdeslyriek leek er bij uitstek mee te kunnen worden aangescherpt. Hoofts vorm- en beeldentaal wordt dan ook nog altijd erg goed ontvangen. Niet zijn toneel, maar wel zijn gedichten, de liederen en de ‘deuntjes’ (ook uit de periode vóór 1636) worden nog altijd erg gesmaakt.

Meer weten?

  • De druk van Hoofts Gedichten (Amsterdam, 1636) werd integraal gereproduceerd in facsimile in Pieter Corneliszoon Hooft Alle de gedrukte werken, 1611-1738 onder redactie van W. Hellinga en P. Tuynman (Amsterdam: University Press Amsterdam, 1972), deel 3.
  • De meest recente leesuitgave van Hoofts lyriek (d.i. diens niet-dramatische poëzie) en met muzieknotatie bij de liederen is P.C. Hooft, De gedichten. Verzorgd en uitgegeven door Johan Koppenol en Ton van Strien. Muzikale redactie en toelichting: Natascha Veldhorst (Amsterdam: Athenaeum - Polak & Van Gennep, 2012). Bij deze uitgave hoort een CD met de uitvoering van 21 liedteksten.
  • De editie door Koppenol en Van Strien brengt de teksten in herspelling en met summiere annotaties en steunt voor de teksten op de studie-editie P.C. Hooft. Lyrische poëzie. Nieuwe tekstuitgave door P. Tuynman bezorgd door G.P. van der Stroom met filologisch apparaat (Amsterdam: Athenaeum - Polak & Van Gennep, 1994). In eerste instantie baseren beide edities zich op de bewaard gebleven handschriften.
  • Voor een editie van brieven aan en van Hooft: H.W. van Tricht, De briefwisseling van Pieter Corneliszoon Hooft. 3 delen. (Culemborg: Tjeenk Willink / Noorduijn, Culemborg, 1972-1979).
  • Over de editie van Hoofts Gedichten in 1636 in het licht van de overgang van gebruiksteksten naar leesteksten; zie vooral M. Spies, ‘Zoals de ouden zongen, lazen de jongen. Over de overgang van zang- naar leescultuur in de eerste helft van de zeventiende eeuw’, in: W. van den Berg en H. Stouten (red.), Het woord aan de lezer. Zeven literatuurhistorische verkenningen. (Groningen: Wolters-Noordhoff, 1987), p. 89-109.
  • Over de aangehaalde sonnetten; zie vooral: M. Polkowski, Images for a Lover’s Eye. Sonnets from Pieter Corneliszoon Hooft’s Emblemata amatoria and their European Lineage (Lublin: Wydawnictwo KUL, 2009), M.B. Smits-Veldt, ‘Hoofts “Nijdige tijt”; spel en strijd met de klok’, in: P.E.L. Verkuyl (ed.), Uyt Liefde geschreven. Studies over Hooft. (Groningen: Wolters-Noordhoff, 1981), p. 73-87, en P. Claes, Lyriek van de Lage Landen. De canon in tachtig gedichten (Amsterdam: De Bezige Bij, 2008), p. 130-131.
Gedichten van den Heere Pieter C. Hooft - Daniel

P.C. Hooft

P.C. Hooft
Als zoon van een Amsterdamse burgemeester groeide Pieter Corneliszoon Hooft (1581-1647) op in een invloedrijke familie. Hij reisde op jonge leeftijd al door Frankrijk, Italië en Duitsland. Hij liet zich sterk inspireren door de klassieke en eigentijdse, renaissancistische, Italiaanse (en Franse) literatuur.
 
Hooft maakte vooral naam als dichter. De Gedichten van den heere P.C. Hooft zijn het meest bekend, maar ook zijn Emblemata amatoria (1611) zijn erg bijzonder. Hij was ook een meesterlijk toneelschrijver. Historische drama’s als Geeraerdt van Velsen (1613), herdersspelen als Granida (1615) en blijspelen als Warenar (1617, samen met Samuel Coster) maken alle deel uit van zijn repertoire. Daarnaast had hij een bijzondere interesse voor taalkunde – wat blijkt uit zijn Waernemingen op de Hollandsche tael (1638) – en geschiedkunde, wat zich uitte in zijn 27-delige Nederlandsche Historien (1642-1647).
 
Hooft kreeg veel ellende te verwerken: zijn kinderen en eerste echtgenote ontvielen hem allemaal in amper tien jaar tijd. Hij omringde zich met andere literatoren, eerst in de rederijkerskamer d’Eglentier en later in de Nederduytsche Academie. Bovendien leidde hij de Muiderkring, een genootschap waarvan ook Huygens deel uitmaakte.
 
Behalve als schrijver was Hooft werkzaam als bestuursambtenaar. Reeds tijdens zijn leven zag men hem als een uitzonderlijk dichter, het ‘hoofd der Nederlandse poëten’. Sinds enkele decennia is er een hernieuwde belangstelling voor zijn werken. In Nederland werd de literaire staatsprijs naar hem vernoemd.