Het gezin Van Paemel
Cyriel Buysse


1903, theater
Het gezin Van Paemel

Toen de Gentse socialistische volksvertegenwoordiger Edward Anseele de tekst van Het gezin Van Paemel in 1902 van een vriend te lezen kreeg, was zijn besluit meteen genomen: ‘Dat moeten wij absoluut spelen; dat moet Vlaanderen rondgaan’.

Hoofdredacteur Aimé Bogaerts van de krant Vooruit kondigde kort daarna een opvoering aan door het Gentse amateurgezelschap Multatulikring, met als commentaar: ‘Dat moet mannen; dat is werk van Volksvoorlichting; dat is de wrake die begint’. De eerste opvoering, op 25 januari 1903, kende een overweldigende bijval en was het begin van een succes en een bekendheid die tot vandaag duren. De Multatulikring zou het stuk tot 1914 elk jaar opnieuw spelen en heeft er ware triomfen mee geoogst.

Op de planken van de officiële gezelschappen was er niet meteen plaats voor dit rauw-realistische werk – ‘een zeer stoute en zeer ruwe greep in ons volksleven’ – maar de levensechte milieutypering, onverbloemd in het Oost-Vlaamse  dialect, was een regelrechte aanval op de sociale ongelijkheid en uitbuiting die gaandeweg een rol zou spelen in het verdringen de ‘aller-akeligste draken’ op het Vlaams toneel. Het gezin Van Paemel zou ook de Vlaamse stadstheaters veroveren en een vaste stek krijgen als een klassieker in het repertoire.

Het gezin Van Paemel bracht een waarheid van toen aan het licht: de diepe kloof tussen de sociale standen, de onmenselijke armoede van de uitgeperste plattelandsbevolking. Vandaag zijn die sociale misstanden grotendeels verdwenen, maar de handeling en de personages van het stuk blijven daarom niet minder aangrijpend. De tragische ondergang van de arme pachter en zijn familie is een menselijk drama dat het publiek blijft aanspreken omdat Buysse de psychologische dimensies ervan schetst.

Buysse biedt geen oplossing voor het conflict maar schetst hoe de boer geruïneerd wordt en hoe zijn familie uiteenvalt als gevolg van de sociaaleconomische verhoudingen. Hij toont dat de oudere generatie niet in staat is het hoofd te bieden aan de maatschappelijke ontwikkelingen en haar lot aanvaardt als een – onbillijke – straf van God. Vader Van Paemel is overgeleverd aan een tweevoudige almacht: aan de rijke baron-kasteelheer die hem willekeurig kan uitzuigen, én aan de dorpspastoor die slechts gelatenheid en gehoorzaamheid predikt. Maar er is ook een sprankeltje hoop. De familie gaat ten onder door allerlei calamiteiten, maar enkele van de kinderen komen wel in opstand tegen hun lot en kunnen er aan ontsnappen door naar Amerika uit te wijken.

Het generatieconflict is van alle tijden. Wat het stuk vandaag ook nog zo aantrekkelijk maakt is  de vermenging van de diepe tragiek met de voor Buysse zo typerende, ontspannende humoristische elementen. De  baron en zijn familie spreken een bijzonder komisch mengtaaltje van Frans en gebroken Vlaams dialect. Ook stroper Masco, de vrijer van een van Van Paemels dochters, zorgt voor een vrolijke noot. Maar wat vooral beklijft is de figuur van boer Van Paemel, die naar het einde toe in een indrukwekkende monoloog  zijn lot overloopt en in een laatste scène, brandhout hakkend, afscheid neemt van zijn opstandige zoon Kamiel. Een slotakkoord dat niemand onbewogen laat.

Het gezin Van Paemel - Daniel

Cyriel Buysse

Cyriel Buysse
Cyriel Buysse (1859 – 1932) ging als zestienjarige aan de slag in de cichoreifabriek van zijn vader, maar al snel bleek dat niet echt iets voor hem. Hij zette dan ook snel zijn eerste stappen als schrijver, en werd daartoe gestimuleerd door zijn bekende tantes, Rosalie en Virginie Loveling.
 
Zijn eerste novelle (‘De biezenstekker’) publiceerde hij in 1890 in De nieuwe gids. Het was het begin van een lijvig oeuvre, dat niet los kan worden gezien van het realisme en het naturalisme. In die traditie schreef hij o.m. het bekende toneelstuk Het gezin van Paemel (1903), dat later werd verfilmd. Buysse was redacteur van het belangrijke tijdschrift Van Nu en Straks en medestichter van het blad Groot Nederland.
 
Bekende prozawerken van Buysse zijn de zwaarmoedige romans Het recht van de sterkste (1893) en Schoppenboer (1898). Na de Eerste Wereldoorlog kwam er meer plaats voor humor en ironie in zijn werk. Uit die periode komt zijn bekende roman Tantes (1924), die ook al werd verfilmd. Buysse schreef ook kortere verhalen en novelles, zoals Lente (1907).
 
In de lente en de zomer woonde Cyriel Buysse samen met zijn echtgenote in de buurt van Gent. De rest van het jaar brachten ze door in Den Haag. Het heeft een hele tijd geduurd vooraleer het talent van Buysse echt werd erkend. Pas in 1921 ontving hij de Driejaarlijkse Staatsprijs voor het Proza. Enkele dagen voor zijn dood kreeg hij ook de titel van baron.

context