Het levend monogram
Ida Gerhardt


1955, po√ęzie
Het levend monogram
Ik heb dit donkere boek geschreven,
want God heeft het mij opgelegd.

Zo begint het gedicht 'Aan allen', dat als een intro vooraan staat in Het levend monogram. Het zegt veel over de bundel en over het werk van Ida Gerhardt. Over het dichterschap mag niet lichtzinnig gesproken worden: het is niet (zoals voor Ed. du Perron) een 'tijdverdrijf voor enkele fijne luiden'. Het is een roeping en een opdracht.

De regels die hierop volgen vervolledigen het beeld: de ‘ik’ van deze gedichten houdt meer van de natuur en van de stilte dan van de mensen. Haar verzen getuigen compromisloos van een liefdeloze kindertijd, en het leven is slechts een doorgangsfase, op weg naar God.

Ik - vriend van stilte, dier en plant,
schreef naar zijn wil, met grijze haren,
de gruwelen van mijn kinderjaren
op deze doortocht naar zijn land.

Prettig en opbeurend is dat allemaal niet. Ook de talrijke verwijzingen naar de klassieke oudheid en het gebruik van motieven en beelden uit de christelijke traditie kunnen op het eerste gezicht de argeloze lezer afschrikken.

Volgens Anneke Reitsma (in Ons Erfdeel) vonden de meeste critici bij het overlijden van Ida Gerhardt in 1997 zelfs dat haar hele oeuvre klaar was om bijgezet te worden 'in de eregalerij van een voorbije canon, die eerder in de 19e dan in de 20e eeuw gesitueerd moet worden'. Het is anders gelopen: het jaar na haar dood verschenen haar Verzamelde gedichten. Die kenden in 2014 hun 13de druk, terwijl intussen ook de bloemlezing uit haar werk (die Gerrit Komrij in 2001 samenstelde) een succes was.

Niet enkel de ernst, de diepgang en de geestelijke rijkdom van haar werk zijn verantwoordelijk voor die blijvende belangstelling. Die is vooral te danken aan de taalkracht ervan. Vooral in de eerste reeks van de bundel ('In memoriam matris') staan gedichten die de lezer confronteren met de felste en soms gruwelijkste emoties. Maar zij doen dat zonder enig sentiment, bijna constaterend, in een kale, nevenschikkende stijl, hard en meedogenloos. Juist die afwezigheid van stilistische versierselen, de concentratie op de essentie, de beheersing van de angsten en de gruwel door de tucht van de vorm, maakt haar poëzie aangrijpend. In de volgende reeksen zorgt de christelijke en mythologische inbedding ervoor dat het persoonlijke, autobiografische van de eerste reeks een algemeen menselijke dimensie krijgt.

Hoe diep de gedichten uit Het levend monogram ook wortelen in de persoonlijke levensgeschiedenis van de dichteres, zij gaan in wezen over ons. In zijn essaybundel Aan mijn voormalig vaderland (2010) verwoordde Michaël Zeeman het bijzonder treffend:

"Het beroemdste gedicht dat Ida Gerhardt over haar moeder heeft geschreven is het 'Sonnet voor mijn moeder'. In een land waar een andere cultuur van omgang met de poëzie zou heersen, zou ieder schoolkind verplicht worden het uit zijn hoofd te leren: het zou een ordening en een remedie zijn, het zou later veel gezeur tijdens late avondjes of op RIAGG's [= Regionale Instelling voor Ambulante Geestelijke Gezondheidszorg] voorkomen. 'Gij hebt, moeder, dit leven zwaar gedragen. / Gelijk ik het zwaar draag. Wij zijn verwant."
Het levend monogram - Daniel

Ida Gerhardt

Ida Gerhardt
In Rotterdam leerde Ida M. Gerhardt (1905-1997) klassieke talen bij de dichter J.H. Leopold, die ook haar poëtische talent heeft aangewakkerd. Gerhardt werd zelf ook lerares klassieke talen, maar werd uiteraard vooral bekend vanwege haar werk als schrijfster. Naar het voorbeeld van Leopold schreef ze poëzie in de traditie van het symbolisme, een stroming die op dat moment eigenlijk al gedateerd was.
 
Zeker in haar vroege gedichten speelt de natuur een hoofdrol. Het levend monogram (1955) werd erg bekend, en ook andere bundels zoals Kosmos (1940), De slechtvalk (1966), Het sterreschip (1979) en De adelaarsvarens (1988) werden bewonderd. Naast poëzie vertaalde Gerhardt werk van andere (klassieke) auteurs, zoals de Georgica van Vergilius.
 
Sinds 1956 woonde Gerhardt samen met haar vriendin Marie van der Zeyde, met wie ze de vertaling De Psalmen (1972) maakte. Ze verbleven vaak in Ierland, waar ze een afgezonderd bestaan leidden.
 
De waardering voor het werk van Gerhardt kwam traag op gang. Toch heeft ze drie keer de Poëzieprijs van de gemeente Amsterdam gekregen. Ook de Martinus Nijhoff-prijs (1968), de Prijs voor Meesterschap van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde (1979) en de P.C. Hooftprijs (1979) vielen haar te beurt. Ten slotte kreeg ze de titel van officier in de orde van Oranje-Nassau.

context