Nagelaten gedichten
Paul van Ostaijen


1928, poëzie
Nagelaten gedichten

‘Poëzie = woordkunst’, schreef Paul van Ostaijen. Daarmee zei hij als eerste in ons taalgebied iets wat vandaag vanzelfsprekend wordt gevonden.

Zoals schilderen de kunst van kleur en vlak is, en beeldhouwen gaat over het maken van een vorm in drie dimensies, zo is poëzie de kunstdiscipline bij uitstek die taal gebruikt. De manier waarop we taal gebruiken verandert echter voortdurend. Voor de dichter is dat een enorm nadeel; net zoals kapsels en behangpapier kunnen ook gedichten ontzettend verouderd overkomen.

Het bijzondere van veel van de Nagelaten gedichten van Paul van Ostaijen is dat ze (een afwijking in de spelling niet te na gesproken) gisteren geschreven hadden kunnen zijn. Het zijn liedjes – soms vrolijk, soms afgrondelijk droef – die niet aan kracht hebben ingeboet.

Het woordgebruik van de dichter heeft daar veel mee te maken. Hij had een hekel aan plechtige woorden of woorden die veel moeite doen om uit te stralen hoe “poëtisch” ze wel zijn. Gewone, dagelijkse woorden wilde Van Ostaijen, woorden zoals “vis” of “sjimpansee” of “pot”. Een mindere dichter zou daar misschien enkel banale verzen mee kunnen maken, gedichten zo gewoon als de woorden die hij gebruikt. Maar Van Ostaijen zette die woorden in zulke onverwachte combinaties bij elkaar dat we er bijna honderd jaar later nog altijd gefascineerd naar staren.

Dat veel van deze gedichten in hun titels verwijzen naar populaire dansen (polonaise, walz, polka, charleston…) is geen toeval: Van Ostaijen wou dat zijn gedichten muziekdoosjes waren, ritmische constructies die je eigenlijk moet horen om ze echt te kunnen genieten. Maar ook als je ze hoort is het nog niet meteen duidelijk waar ze over gaan. En ook dat was de bedoeling. Van Ostaijen wilde geen verzen met een boodschap schrijven (dat had hij namelijk al gedaan), maar teksten die er gewoon zijn, zo eenvoudig en tegelijk raadselachtig als kinderliedjes.

Het bijzondere van deze gedichten is echter dat ze – ondanks de theorie die erachter zat – wel degelijk over heel wezenlijke dingen gaan, maar dan op een veelal luchtige manier, zonder pathetiek of pretentie. Ze gaan over ambitie, over dwanggedachten en gewelddadige neigingen, over eenzaamheid en over het mysterie dat het leven is en waarover we nooit uitgepraat geraken. Soms gaan ze ook over doodsangst: sommige van deze verzen werden geschreven toen de (nog erg jonge) dichter wist dat hij stervende was.

Het lijkt bij deze gedichten alsof we kunnen begrijpen wat er staat, maar telkens wanneer we het proberen te formuleren ontsnapt het ons weer. Misschien is dat wel waarom ze zo fris zijn gebleven.

Nagelaten gedichten - Daniel

Paul van Ostaijen

Paul van Ostaijen
Het blijft gissen hoe het oeuvre van de Antwerpse schrijver Paul van Ostaijen (1896-1928) verder zou geëvolueerd zijn als hij niet zo jong aan longtuberculose was gestorven. In niet veel meer dan een decennium heeft hij enkele onsterfelijke werken nagelaten.
 
Met zijn nogal excentrieke persoonlijkheid en opstandige karakter was ‘zot Polleke’ niet voor een lange schoolcarrière in de wieg gelegd. In plaats daarvan stortte hij zich graag in het feestelijke nachtleven. Hij werd administratief bediende bij de stad Antwerpen maar begon zich al gauw te verdiepen in de letteren en de beeldende kunst. Toen de Eerste Wereldoorlog losbarstte, schaarde Van Ostaijen zich achter de activistische flaminganten. Als gevolg daarvan moest hij in 1918 vluchten naar Berlijn. Drie jaar later keerde hij terug naar België.
 
Van Ostaijen liet zich inspireren door stromingen als het expressionisme en het dadaïsme. Zijn modernistische, door jazz beïnvloede poëzie was erg vooruitstrevend en is o.m. ook grafisch onmiddellijk herkenbaar. Bundels als Music-Hall (1916), Het Sienjaal (1918), Bezette Stad (1921) en De Feesten van Angst en Pijn (1928) zijn stuk voor stuk klassiekers. Ze bejubelen de kleuren en de geuren van het mondaine stadsleven, maar klagen er ook de uitwassen en het verval van aan.
 
Naast gedichten schreef Van Ostaijen ook grotesken, korte verhalen waarin allerlei absurditeiten optreden. De trust der vaderlandsliefde (1925) en Vogelvrij (1928) zijn daar voorbeelden van. Naar zijn essays, waaronder het poëticale opstel Gebruiksaanwijzing der lyriek (1927), wordt nog vaak verwezen. Van Ostaijen heeft ook een filmscenario geschreven, De bankroet jazz. Dat dateert uit 1921, postuum is gepubliceerd en in 2009 verfilmd werd.

context