Refreinen (I)
Anna Bijns


1528, poëzie
Refreinen (I)

De voor ons zo vanzelfsprekende gewoonte van dichters om met een aantal van hun gedichten een bundel samen te stellen en die voor potentiële kopers en lezers in druk te laten verschijnen, is in de Nederlandse literatuur pas in de jaren zestig van de zestiende eeuw – meer dan een eeuw na de uitvinding van de boekdrukkunst dus – op gang gekomen.

Het waren met name de literaire vernieuwers van de zogenaamde ‘vroege renaissance’, Lucas d’Heere, Jan Baptist Houwaert en Jan van der Noot, die in de genoemde periode met het uitgeven van eigen dichtbundels zijn begonnen.

Toch verscheen de eerste Nederlandstalige bundel tijdens het leven van een dichter al in 1528. De titel van het in Antwerpen uitgegeven boekje luidt: Dit is een schoon ende suverlijc boecxken / inhoudende veel scoone constige refereinen […] / seer wel gemaect vander eersame ende ingeniose maecht Anna Bijns […]. De dichter in kwestie was dus een dichteres, Anna Bijns (1493-1575), en de 23 gedichten die de bundel bevat, zijn op één na allemaal ‘refreinen’. Het refrein was de belangrijkste dichtvorm die systematisch werd beoefend in de dicht- en toneelgezelschappen die in de vijftiende en zestiende eeuw in de Nederlanden het literaire leven domineerden, de zogenaamde ‘rederijkerskamers’. Met zijn per strofe identieke slotregel, die het thema van het gedicht kernachtig kon verwoorden, paste het refrein uitstekend bij de in de kamers vooral op voordracht en een luisterend publiek gerichte kunst van het gesproken woord. Door liefhebbers werden refreinteksten daarnaast ook voor eigen gebruik verzameld en in handschriften gekopieerd.

Uit de genoemde periode zijn er ongeveer 2.300 refreinen overgeleverd, waaronder zowat 220 van Anna Bijns. Deze Antwerpse schooljuffrouw beheerste de regels van het genre volkomen. Dankzij haar beeldend taalvermogen, haar suggestief-muzikale gebruik van rijm en ritme, haar persoonlijk engagement en affectieve retoriek behoren haar refreinen tot de beste die ooit zijn geschreven. Getalenteerd als ze was, zou Anna Bijns een perfecte artistieke leider van een kamer zijn geweest. Binnen de door mannen beheerste wereld van de rederijkers was zo’n officiële functie voor haar echter uitgesloten. Toch heeft Anna Bijns zichzelf als een ware ‘rederijkster’ onder de rederijkers beschouwd. Dankzij de drukpers werd zij onder hen bovendien het meest vermaard.

Het bundelen en laten drukken van eigen gedichten werd binnen de rederijkerskamers als een vorm van ongepaste profileringsdrang ten koste van het gezelschap beschouwd. Deze rem kon voor Anna Bijns alvast worden gelost. Bovendien vond de dichteres veel waardering voor haar werk bij de minderbroeders in het klooster bij haar in de buurt. Anders dan veel rederijkers koos zij immers ook duidelijk positie tégen de opkomende Hervorming. De minderbroeders, die wel de weg naar de drukpers kenden, hebben de kans niet laten liggen. Respectievelijk in 1528, 1548 en 1567 bezorgden zij drie refreinenbundels van Anna Bijns. Ze bevatten alleen religieuze en moraliserende gedichten en bieden bijgevolg maar een specifieke selectie uit een oeuvre dat ook geslaagde amoureuze en komische refreinen omvat. Vooral de eerste twee bundels waren als een fel verweer tegen Luther en diens ‘ketterse’ geestverwanten bedoeld. Met afschrikwekkende beelden en vernietigende vergelijkingen schilderde Anna Bijns daarin Luther en de zijnen af als handlangers van de duivel en als directe oorzaak van alle ellende. De drie bundels werden tot in de zeventiende eeuw herdrukt. Van de eerste verscheen in 1529 een Latijnse vertaling, waardoor Anna Bijns ook naam en faam in het buitenland verwierf.

 

Video

 
 
 
 
Schrijver en emeritus hoogleraar Herman Pleij praat over zijn biografie Anna Bijns van Antwerpen en leest een van haar gedichten voor.
Refreinen (I) - Daniel

Anna Bijns

Anna Bijns
De vader van Anna Bijns (1493-1575), Jan Bijns, was kousen- (of eigenlijk broeken-)maker en wellicht ook rederijker. Anna bracht haar jeugd door in het huis ‘De Cleyn Wolvinne’ aan de Grote Markt (nu nummer 46). Ze had een zuster, Margriete (geboren in 1495) en een broer, Marten (geboren in 1497). Na het overlijden van vader Bijns in 1516 verkocht Anna’s moeder, Lijsbeth Voochs, het huis aan de Grote Markt om Marten en Margriete hun erfdeel te kunnen uitbetalen. Marten en Anna betrokken samen met hun moeder vervolgens het huis ‘De Patiencie’ in de Keizerstraat. Marten opende er een schooltje waar ook Anna les gaf.
 
Anna begon wellicht te schrijven aan het einde van de jaren 1510 of het begin van de jaren 1520. Ze onderhield hechte contacten met de minderbroeders in Antwerpen, wat een rol lijkt te hebben gespeeld in de felle anti-Lutherse strekking van veel van Anna’s gedichten. Hoewel de vorm van haar literaire werk nauw aansloot bij dat van de rederijkers, is Anna als vrouw wellicht nooit lid geweest van een rederijkerskamer. Ze onderhield wel nauwe contacten met rederijkers, ook buiten Antwerpen, zoals met de Brugse priester Stevin van den Gheenste. Nog tijdens haar leven, in 1528, 1548 en 1567, verschenen verschillende gedrukte verzamelingen van haar refreinen. Haar werk is ook overgeleverd in een aantal handschriften.
 
Na het huwelijk van haar broer Marten in 1536 ging Anna in huis ‘Het Roosterken’ wonen, dat schuins tegenover ‘De Patiencie’ gelegen was. Ze opende er zelf een schooltje, schreef zich in bij het schoolmeestersgilde en bleef er 37 jaar lang, tot 1573, les geven. Twee jaar later overleed ze op 82-jarige leeftijd in de stad die ze tijdens haar leven nooit of slechts bij hoge uitzondering heeft verlaten.