Sente Servas


ca. 1170-1180, Heiligenlegende

Nadat Servaas de Tongenaren heeft meegedeeld dat de ondergang van de stad als straf voor hun zonden onafwendbaar is, maar dat hun zielen nog kunnen worden gered als zij zich bekeren, verlaat hij de stad onder medeneming van haar relikwieën. De wanhopige Tongenaren proberen zijn vertrek te beletten (verzen 2919-2956).

Voor het origineel, zie o.m. Sint Servaeslegende. In Dutschen dichtede dit Heynrijck die van Veldeken was geboren. Naar het Leidse handschrift uitgegeven door G.A. van Es, met een beschrijving van het handschrift door G.I. Lieftinck, 2e druk (Klassieken Nederlandse letterkunde). Culemborg: Tjeenk Willink / Noorduijn (1976). De vertaling werd gemaakt door Frank Willaert.

Doen des ander raet en was
ende der goede Sinte Servaes
moeste varen van danne,
van wijven ende van manne
waert daer der rouwe voele groot,
des hon nyet en verdroot,
ende weynden voele seer
ende spraken: ‘Vader ende heer,
ontferme dich dijnre kinden
die hier blyven in ellenden.
Wat douch ons onse leven
sent dat du ons wilste begheven?
Wij stonden alle te dijnen ghebode.’
Haer hande hoeven sij op te Gode,
ghenade sij hem baden,
datse doen te spade daden.
Sij schruwen ende sij riepen,
nae Sinte Servase sij liepen
in beyden sijden teghen,
beide in straten ende in weghen.
Die ouden mitten jonghen,
aen hoem sij vaste dronghen,
all dae sijne ghevynghen
aen hoem sij vaste hynghen
ende kusten sijne ghewant,
sijne voete ende sijne hant,
sj hieldenen mitten beynen.
Groetlijck was haer weynen
dat doch al te vergheefs was,
want der goede Sinte Servaes
moest varen sijnre straten.
Des en mocht hi nyet laten
noch doer haer weynen noch doer haer clagen.
Dat heyldom dede hi danne draghen
ende dat ornament dat hij daer vant
ende sijn ghegherwe ende sijn ghewant
daer hij mede woude werden
bestadet toe der erden.
Toen er niets meer te zeggen viel
en de goede Sint Servaas
vertrekken moest
waren vrouwen en mannen
diep bedroefd.
Zij schaamden zich niet,
maar weenden zonder ophouden
en zeiden: ‘Vader en heer,
ontferm u over uw kinderen
die hier in ellende achterblijven.
Wat is ons leven nog waard,
nu u ons wil verlaten?
We waren allemaal tot uw dienst bereid.’
Zij hieven hun handen op naar God,
en smeekten hem om genade,
maar dat deden ze toen te laat.
Ze huilden en ze riepen,
ze liepen Sint Servaas
langs straten en stegen
van beide kanten tegemoet.
Oud en jong
dromden dicht om hem heen,
waar ze hem ook maar konden aanraken,
klampten ze zich aan hem vast
en kusten ze zijn kleren,
zijn voeten en zijn handen,
ze hielden hem bij zijn benen vast.
Ze huilden verschrikkelijk,
en toch was het vergeefs,
want de goede Sint Servaas
moest zijns weegs gaan.
Dat kon hij niet nalaten,
noch om hun geween noch om hun geklaag.
De relikwieën liet hij meevoeren,
en ook de kostbaarheden die hij daar vond,
alsook zijn kleren en zijn gewaden,
waarmee hij ter aarde
besteld wilde worden.