Verzen
Willem Kloos


1894, po√ęzie
Verzen

Wie aan de poëzie van Willem Kloos denkt, herinnert zich wellicht enkel de volgende versregel: Ik ben een God in ’t diepst van mijn gedachten.

Het beeld dat van Kloos in recente literatuurgeschiedenissen wordt geschetst, is dat van een emotioneel onstabiele dichter die in zijn jeugd een handvol geniale verzen schreef en daarna alleen maar in herhaling en rijmelarij is vervallen. Kloos’ oeuvre op die manier voorstellen doet echter afbreuk aan de rol die zijn werk in de literatuurgeschiedenis heeft vervuld en aan de invloed die zijn poëzie heeft uitgeoefend op vele generaties dichters in Nederland en Vlaanderen.

In 1894 publiceerde Kloos zijn debuutbundel Verzen, waarin hij de gedichten verzamelde die hij tot dan toe had geschreven, aangevuld met drie langere fragmenten in versvorm: ‘Rhodopis’, ‘Okeanos’ en ‘Sappho’. Als student in de klassieke talen gebruikte Kloos Griekse verhaalstof om zijn visie op de relatie tussen emotie en geest uiteen te zetten. De fragmenten situeren zich in het midden van de bundel. Daarvóór komen er 93 lyrische verzen, daarna volgen de zogenoemde scheldsonnetten.

De lyrische verzen schreef hij grofweg tussen 1880 en 1888. Hij publiceerde ze in verschillende jaargangen van De Nieuwe Gids, het tijdschrift dat hij in 1885 mee oprichtte. Door moeilijkheden in de redactie eind jaren tachtig en begin jaren negentig van de negentiende eeuw schreef Kloos enkele jaren geen gedichten. Daar kwam in 1892 verandering in, toen hij in één vloeiende beweging meer dan tachtig scheldsonnetten op papier zette. Daarin bespotte hij zonder medelijden zijn voormalige vrienden en iedereen die hem op een of andere manier had tegengewerkt. Opmerkelijk is dat de gedichten in de bundel niet chronologisch zijn opgenomen. In plaats daarvan werden ze willekeurig geordend en enkel van een Romeins cijfer voorzien.

Kloos hanteerde voor de meeste van zijn verzen het sonnet als dichtvorm. Vanuit de gedachte dat de vorm van het gedicht bepalend was om zijn boodschap over te brengen, besteedde hij veel aandacht aan het rijmschema, het metrum en het ritme van zijn poëzie.

De debuutbundel van Kloos is om meerdere redenen een klassieker uit de Nederlandstalige literatuur. Hij is bovenal een werk dat de tijd waarin het ontstond goed weergeeft én het op zijn beurt ook weer mee heeft getekend.

De lyrische sonnetten illustreren de breuk met het verleden die Kloos wilde bewerkstelligen. Hij wou komaf maken met de huiskamerpoëzie en de toen heersende poëzieopvatting in Nederland en durfde het aan om zich daartegen af te zetten. Dat deed hij niet alleen in zijn kritische werk, maar ook in zijn eigen poëzie. De scheldsonnetten getuigen dan weer van een broeierige tijd, van ruzies en van een redactie die uiteenvalt.

De bundel bevat een aantal gedichten die de tand des tijds moeiteloos doorstaan. Daartoe behoren zeker de gedichten die hij schreef omstreeks het overlijden van Jacques Perk, en ook de cyclus ‘Het Boek van Kind en God‘, waarin hij zich tot Albert Verwey richtte.

Wie vandaag Kloos’ debuut leest, voelt zich aangesproken door een dichter die zich niet wilde aanpassen aan wat gangbaar was, die zijn eigen weg zocht en niet anders kon dan verzen te schrijven, tegen de stroom in.

Verzen - Daniel

Willem Kloos

Willem Kloos
Het weinig omvangrijke oeuvre van Willem Kloos (1859-1938) bestaat uitsluitend uit gedichten. De meeste daarvan zijn sonnetten. Zijn Verzen (1894) en Nieuwe verzen (1895) zijn nog altijd populair, en de versregel ‘Ik ben een God in 't diepst van mijn gedachten’ is in onze taal een soort uitdrukking geworden.
 
De naam van Willem Kloos blijft onlosmakelijk verbonden met de beweging van Tachtig. Dat was een vernieuwende groep schrijvers die de ervaring van pure schoonheid in de poëzie voorop plaatsten en die hun eigen, persoonlijke klank- en beeldtaal ongebreideld verkenden. Kloos’ voorwoord bij de Gedichten (1882) van zijn overleden vriend Jacques Perk wordt beschouwd als een manifest van die beweging.
 
Als criticus was Kloos gevierd en gevreesd. Samen met Albert Verwey klaagde hij in De onbevoegdheid der Hollandsche literaire kritiek (1886) het matige werk van de gevestigde critici aan, en met enkele andere Tachtigers stond hij mee aan de wieg van het belangrijke tijdschrift De nieuwe gids. Veel medestanders keerden hem later de rug toe, maar Kloos bleef hardnekkig aan zijn overtuiging vasthouden en hield het tijdschrift in leven.
 
Mede door onbeantwoorde homoseksuele gevoelens kampte Kloos met psychologische problemen. Dat leidde tweemaal tot een zelfmoordpoging. In 1900 lijkt hij weliswaar rust te hebben gevonden in zijn huwelijk met schrijfster Jeanne Reyneke van Stuwe.
 
Kloos’ werk werd meermaals bekroond. Hijzelf mocht zich ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw noemen, en hij werd ook eredoctor in de letteren en wijsbegeerte.

context