Twintigste-eeuwse bewerkingen: M.C.H. Betz en Louis Couperus


midden 13de eeuw, ridderroman

Na de veertiende eeuw lijken Artur en zijn tafelronde in de Nederlanden aan een lange winterslaap te zijn begonnen. Pas omstreeks 1900 zou met name Walewein een opmerkelijk heroptreden doen in de nederlandse literatuur.

In 1890 publiceerde M.C.H. Betz een zeer vrije bewerking van de Walewein van Penninc en Vostaert in jambische blanke verzen.

Veel bekender is Couperus’ Het zwevende schaakbord, dat van 27 oktober 1917 tot 29 juni 1918 als feuilleton in De haagsche Post verscheen en vijf jaar later in boekvorm werd gepubliceerd. Couperus situeert zijn verhaal tien jaren na het relaas van Penninc en Vostaert en maakt er een ironisch-melancholische bespiegeling over de onttovering van de wereld van: avonturen zijn er in lange tijd niet meer geweest, Arturs ridders hangen maar wat rond, tot de ‘magiër’ Merlijn voor een nieuw, maar dit keer met knoppen, wieltjes en draden in elkaar geknuseld schaakbord zorgt… In de door technologie beheerste moderne wereld is het wondere rijk van koning Artur uit. Het verhaal van deze queeste loopt dan ook logisch uit op Gaweins en Arturs dood.

Verder vinden Brits-Keltische thema’s in de Nederlandse literatuur alleen in het magisch-realistische universum van een Hubert Lampo nog een plek (De heks en de archeoloog, 1967; Wijlen Sarah Silberman, 1980; Zeg maar Judith, 1983).