Wolfijzers en schietgeweren
Richard Minne


1942, proza en poëzie
Wolfijzers en schietgeweren

‘Ik begin een mensch van orde en verantwoordelijkheid te worden: ik stel vast, dat ik een datum boven mijn brieven zet. Ik ben rijp om in de Vlaamsche Academie opgenomen te worden en stilaan te vermolmen van binnen.’ Met deze schampere zelfspot begint Wolfijzers en Schietgeweren van Richard Minne.

Wolfijzers en schietgeweren was het derde boek dat onder de naam van Richard Minne verscheen (na de verzen In den zoeten inval, 1926/1927; en het proza Heineke Vos en zijn biograaf, 1933). Hij heeft het boek evenwel zelf niet gepland: het is samengesteld door zijn beste vriend Raymond Herreman en door Maurice Roelants. Als het van de schrijver zelf had afgehangen, was er bij leven waarschijnlijk nauwelijks iets van zijn hand verschenen.

Wolfijzers en schietgeweren bestond uit een stevig voorwoord van Roelants, brieffragmenten, verzen (o.a. uit In den Zoeten inval) en drie verhalen. Het citaat in het begin van deze tekst komt uit de inleiding (Imprimatur in den blinde), waarin Minne de samenstellers – in wie hij blind vertrouwen had gesteld – dankt voor hun bloemlezing. Vooral de thematisch geordende brieffragmenten maakten ophef. De publicatie van deze niet voor de openbaarheid bestemde schrijfsels was nieuw in de Vlaamse letteren. Hier was een ‘vent’ aan het woord, een gekwelde schrijver die, eenzaam levend op het platteland, tussen zijn geit en bieten, worstelde met zijn dichterschap. De titel, een opschrift in kasteelparken ‘om wildstropers en zwervers te waarschuwen voor verborgen klemmen en zelfvurende roeren’ (Karel Jonckheere), slaat op de obstakels tussen Minne en het schrijven zelf, tussen de schrijver en de publicatie – op het geworstel dus. Volgens Minne betekende het: ‘Oppassen, betreed het terrein niet of er kan u iets onaangenaams overkomen!’

De gedichten van Minne zijn uniek: de taal is helder, eenvoudig, klassiek. Hij gebruikt vaak Vlaamse woorden en uitdrukkingen, maar die lijken vanzelfsprekend en zijn nooit provinciaal. Zelden vind je naturel zo vormvast verwoord:

De Leie en lijkt ons maar een landelijk rivierken,
een wandelende streep, en wat traag water toe,
met aan iederen draai een waaiend populierken,
een half-verdronken ponte, een schilder en een koe.

Ook in zijn brieven laat hij een volstrekt eigen geluid horen. Karel Jonckheere schreef erover: ‘De volgorde der brieven leest als een roman. De roman der eenzaamheid, getormenteerdheid, wanhoop en ironische berusting. (…) Een brief van Minne is een genot. Het beheer van Posterijen zou niet mogen dulden  dat ze gefrankeerd worden.’

Minne werd bij leven gewaardeerd door een bescheiden schare lezers in Noord en Zuid en door generatiegenoten als Elsschot. Later ook door Boon, al had die in 1946 bezwaar tegen het toekennen van de Driejaarlijkse Staatsprijs voor Proza aan Wolfijzers wegens te weinig ‘proza’. Boon noemde hem een ‘gekwelde scepticus’. Maar het is vooral de onnavolgbare mix van ironie, melancholie en esprit  die blijven bekoren. Jeroen Brouwers typeerde Minne ooit als de ‘boerse broer van Elsschot’ en de ‘Vlaamse neef van Nescio’,  maar dan grimmiger, ongepolijster, Vlaamser en vooral Gents. Deze schrijver staat met liefde op en gaat met haat slapen.

Begonnen als rebel en activist, werd Minne een dichter-boer. Toen ook dat hem ontgoochelde, eindigde hij als journalist. Terwijl hij zijn hele leven had gehunkerd naar ‘een sinecuur tusschen Leie en Schelde’.

Deze bedrogen idealist behoorde uiteindelijk tot geen enkele club of coterie. Hij schreef buiten de literaire modes, geloofde in de literatuur van de groten (Gogol, Tsjechov) maar niet in die van zichzelf, droomde van een Vlaamse ‘Stendhal-club’ (die er nooit kwam) en bewonderde Paul Léautaud en Cyriel Buysse.

Hij bleef koppig volks, dwars en bars, vaak schamperend. Vlaanderen vond hij te klein en te bekrompen. Het laatste verhaal in Wolfijzers (‘De lijkrede’) ventileert zijn sombere opvattingen over de staat van de Vlaamse poëzie en cultuur. Sippe Danneels, een schilder, volgt de lijkstoet van zijn vriend, de dichter. De lijkbidders en enkele schaarse familieleden druipen af bij het open graf. Niemand houdt een toespraak. Tenzij: ‘ – Guust…Guust jongen… stottert Sippe Danneels… Guust ’t is…’t is…ha, nondedju!... Het giet water.’

Wolfijzers en schietgeweren - Daniel

Richard Minne

Richard Minne
De jonge Richard Minne (1891-1965) volgde les aan het Koninklijk Atheneum van Gent, waar René de Clercq hem van de dichtkunst liet proeven. Na de oorlog vestigde hij zich om gezondheidsredenen op het platteland, waar hij naast zijn dichterschap ook enkele jaren een boerenbestaan heeft geleid.
 
Zijn literaire oeuvre is weinig omvangrijk. Zeker in het begin van zijn schrijversloopbaan publiceerde hij alleen in tijdschriften. De meeste publicaties in boekvorm kwamen er op aandringen van Raymond Herreman.
 
De heterogene bundel Wolfijzers en schietgeweren (1942) typeert hem als schrijver zeer sterk. Eerder gaf hij al de gedichten In den Zoeten Inval (1927) en de novelle Heineke Vos en zijn biograaf (1933) uit. In 1955 verscheen nog een uitgebreide versie van zijn poëziedebuut: In den Zoeten Inval en andere gedichten.
 
Minnes werk wordt gekenmerkt door een ironische grondlaag en een zekere geëngageerdheid. Als schrijver valt hij moeilijk in een hokje te stoppen. Er is zeker invloed te merken van de romantiek, maar zijn werk is vaak ook juist ontnuchterend.
 
Minne was actief als journalist en werkte mee aan de socialistische krant Vooruit en ’t Fonteintje. Een deel van zijn literaire kritieken en cursiefjes werd verzameld in de bundel In 20 lijnen (1946 en 1955).
 
Minne kreeg in 1945 de Driejaarlijkse Staatsprijs voor Proza. Toch kreeg hij pas na zijn dood echt de aandacht en de waardering die hij onmiskenbaar verdient.

context