facebookglueinstagramlinkedinpinteresttwitter
Kies je taal:

Dichtertje, De Uitvreter, Titaantjes (Little Poet, The Freeloader, Little Titans)


1918, prose

De eerste zinnen van De uitvreter maken het eerste fragment uit. Het tweede fragment is een passage uit hoofdstuk 8 van Titaantjes. Als derde fragment werd een scène gekozen uit het vierde hoofdstuk van Dichtertje.

Geciteerd uit: Nescio. Verzameld werk (2 delen). Bezorgd door Lieneke Frerichs. Amsterdam: Nijgh & Van Ditmar, / Van Oorschot (1996).

Eerste fragment: De uitvreter

Behalve den man, die de Sarphatistraat de mooiste plek van Europa vond, heb ik nooit een wonderlijker kerel gekend dan den uitvreter.

Den uitvreter, dien je in je bed vond liggen met zijn vuile schoenen, als je 's avonds laat thuis kwam. Den uitvreter, die je sigaren oprookte, en van je tabak stopte en je steenkolen verstookte en je kasten nakeek en geld van je leende en je schoenen opdroeg en een jas van je aantrok als-i in den regen naar huis moest. Den uitvreter, die altijd wat liet halen op den naam van een ander; die als een vorst jenever zat te drinken op 't terras van ‘Hollandais’ voor de centen van de lui; die parapluies leende en nooit terugbracht; die een barst stookte in de tweedehandsch kachel van Bavink; die dubbele boorden droeg van zijn broer en de boeken uitleende van Appi, en buitenlandsche reizen maakte als-i z'n ouwe heer weer had afgezet, en pakken droeg, die hij nooit betaalde.

 

Tweede fragment: Titaantjes

Iederen dag hadden wij verlangd zonder te weten waarnaar. En eentonig was 't geworden. Eentonig werd 't opgaan van de zon en 't ondergaan en 't schijnen van de zon in 't water en 't schuiven der witte wolken. En ook de donkere luchten werden eentonig, en 't bruin en geel worden van de bladeren, en de bladerlooze kruinen ende armoedige drassige weilanden in den winter, al die dingen die ik zoo vaak gezien had en waaraan ik zoo vaak had gedacht in mijn afwezigheid en die ik zoo vaak weer zou zien, als ik niet stierf. Wie kan z'n leven doorbrengen met te kijken naar al deze dingen, die zich steeds herhalen, wie kan blijven verlangen naar niets? Hopen op een God die er niet is?

En nu bloeiden weer de brem en de seringen en de appelboomen en de kastanjes en de zon had al weer fel gebrand. En vol ontroering had ik dit alles weergezien. En terwijl ik daaraan dacht, weken de vage verwachtingen en verlangens.

God leeft in mijn hoofd. Zijn velden zijn er onmetelijk, zijn tuinen staan er vol schoone bloemen, die niet sterven, en statige vrouwen wandelen er naakt, vele duizenden. En de zon gaat er op en onder en schijnt laag en hoog en weer laag en 't eindelooze gebied is eindeloos 't zelfde en geen oogenblik gelijk. En breede rivieren stroomen er door met vele bochten en de zon schijnt er in en ze voeren 't licht naar de zee.

En aan de rivieren mijner gedachten zit ik stilletjes en genoeglijk en rook een steenen pijpje en voel de zon op mijn lijf schijnen en zie 't water stroomen, voortdurend stroomen naar 't onbekende.

En 't onbekende deert mij niet. En ik knik maar eens tegen de schoone vrouwen, die de bloemen plukken in mijn tuinen en hoor den wind ruischen door de hooge dennen, door de wouden der zekerheid, dat dit alles bestaat, omdat ik ’t zoo verkies te denken. En ik ben dankbaar dat mij dit gegeven is. En in ootmoed pijp ik nog eens aan en voel mij God, de oneindigheid zelf.

Doelloos zit ik, Gods doel is de doelloosheid.

Maar voor geen mensch is het weggelegd dit bij voortduring te beseffen.

Derde fragment: Dichtertje

Coba trekt haar manteltje uit, legt ’t over haar knieën, ’t is te warm voor een blauw cheviotten mantelpakje. Een wit bloesje heeft ze aan, haar armen schijnen er door, zoo rose-bruin en ’t allerbovenste van haar rug en borst. Je ziet waar haar hemd eindigt en dat ’t met kanten strooken van haar schoudertjes hangt. Nu trekt ze haar bovenlip even naar binnen en maakt haar onderkaak langer en strijkt met de rechterhand haar haar glad, ze draait even met haar hoofd en ’t puntje van haar tong komt te zien en strijkt langs haar bovenlip en verdwijnt schielijk. De duivel draait aan z’n snor. Nu praat ze lief met haar kindje, ze lacht, al haar tanden laat ze zien; ze heeft een sterk gebit, alle tanden staan aangesloten en ze zijn schitterend wit, om haar zoo je hand voor te houden, dat ze er in bijten kan, aan den buitenkant tusschen pink en pols. Het is in ’t begin van Mei. Voor ’t eerst van ’t jaar heeft ze een bloese aan die driehoekig is uitgesneden en ook haar borst is wit, zoo erg wit, dat de duivel moet denken aan het licht uit den hemel. En de hoeken van haar sleutelbeenderen bij ’t kuiltje van haar hals staan zoo pittig. Met haar slanke vingers strijkt ze langs den rand van haar bloese. Nu veegt ze de handjes van haar kindje af en haar toetje, met haar zakdoekje, dat een opengewerkten rand heeft. En ze neemt ’t handje van ’t kind in haar twee handen en drukt ’t en geeft haar een zoentje op haar groote oogjes en ’t kindje vraagt: ‘Maatje, waarom doet u dat?’ En ze kleurt en vraagt: ‘Wat, Bobi?’ ‘Waarom zoent u me ineens?’ ‘Maar kindje, maatje zoent je toch wel meer ineens? Wil Bobi nog een taartje? Maar dan moet je je niet zoo vuil maken, hoor. Zal mammi ’t zelf gaan uitzoeken voor kindje? Zoet blijven zitten hoor!’ En maatje gaat naar binnen, haar heupen draaien heel even en haar blauw cheviotten rok gaat heen en weer. En dan komt ze terug met ’t taartje op een schaaltje en uit de deur lacht ze tegen haar kindje en ze gaat weer zitten. De duivel draait aan z’n snor. En dan in eens wordt ze bang. Als i haar eens aansprak? Wat moest ze doen? ‘Kom Bobi, maak voort, wacht, zal ik je helpen?’ En op de punt van ’t vorkje steekt ze haar ’t halve taartje in ’t mondje, ’t is of de dikke dame naast haar draait. ’t Kindje heeft ’t toetje vol slagroom. ‘Bah, wat een vies kindje.’ ‘Mammi, dat doe je zelf.’ Daar is Pa. Hij groet en neemt z’n hoed af voor den duivel en de duivel neemt z’n hoed af voor Pa. Maatje kleurt weer, nu tot ’t kuiltje van haar hals. Maar ’t dichtertje ziet dat niet, hij is te lang getrouwd.

Ze staat op en helpt ’t kindje van haar stoel. ‘Wil je meteen weg?’ ‘Ik moet nog wol koopen om mijn manteltje af te breien. Ik kan nergens de kleur krijgen. ’k Ben in wel vier winkels geweest en toen dacht ik, ik zal maar eerst hier naar toe gaan, want ’t werd zoo laat.’ De oogen van ’t kindje worden heel groot en kijken naar boven naar maatje. ‘Nou vooruit dan maar, heb je betaald? aanneme!’ Dichtertje dopt, de duivel dopt, maatje knikt stijf. Bobi wuift met haar handje en zegt met een hoog stemmetje: ‘Dag meneer.’ De duivel knikt en lacht en knijpt een oog dicht. ‘Maatje, die meneer heeft al dien tijd naar u gekeken.’

Gelukkig, ’t dichtertje hoort niets, zijn gedicht zonder eind is weer in een stadium datti er stapel zot van wordt. Hij ziet op dat terras al die vrouwen zitten en er gaan er voorbij op straat. ‘O God,’ denkt i, ‘als er nu eens een wonder gebeurde, als nu eens in eens van al die vrouwen al de kleeren afvielen?’ Een dichtertje dat den waanzin nabij is denkt rare dingen. U en ik lezer denken nooit zoo iets. En mijn lezeressen..... heilige onschuld, ik moet er niet aan denken.