facebookglueinstagramlinkedinpinteresttwitter
Kies je taal:

Spaanschen Brabander (The Spanish Brabanter)


1617, drama

Het geselecteerde fragment komt uit de vaak geciteerde en meesterlijke openingspassage van het toneelstuk. In een onvervalst en sappig Brabants dialect prijst Jerolimo Antwerpen en bekritiseert hij Amsterdam. Bredero trekt de Amsterdamse toneelbezoeker zo onmiddellijk mee in het verhaal, want elke Amsterdammer voelt zich aangesproken. Bovendien is het een mooi staaltje dramatische ironie – de toeschouwer weet immers dat Antwerpen ondertussen in verval is en dat Amsterdam de wind in de zeilen heeft – en Jerolimo maakt zich dan ook belachelijk. Maar ook voor een moderne lezer of toeschouwer zet Bredero in nauwelijks 26 regels de toon van zijn verhaal: we leren Jerolimo en zijn achtergrond kennen, we begrijpen dat hij een blaaskaak is en we verwachten al meteen dat dergelijke snoeverij niet ongestraft zal blijven…

Ierolimo
 
T’is wel een schoone stadt, moor ’t volcxken is te vies;
In Brabant sayn de liens ghemaynlijck exkies,
In kleeding en in dracht, dus op de Spaansche mode,
Als kleyne konincxkens of sienelaycke goden.
O kayserlaijcke stadt! Hantwerpen groot en raijck,
Ik gheloof nou dat de son beschaynt uwes ghelayck,
In abondancy van sleyck, in schoonheyt van landouwen,
In karcken triumphant, in devote kloosters, en modeste ghebouwen,
In muragie masief, vol alles van rekreatie geboomt,
In kayen en in hoyen woor langskens dat hem stroomt
De large revier, het water van den Schelde,
En supporteert tot over Meyr. Datte kick ou eenskens vertelde
Mayn avontuurkens met de dochterkens inde baar,
Betteken en Mayken, en met haar nicht schoon Klaar,
Die over straat trip trap, en met sulcken ghetepel,, gaat
Damen her jugeert, en estimeert voor ’t stooltje vande lepel,, straat,
En vande Venus-buurt: ’tsoch say saijn wel gracelaijck.
De Gouverneur van’t slot die minden haar wel dwaselaijck,
’tWas sulcken waperkaack een, g’en hebt ou leven.
Hoe dickwils heeft hy haar een keurs en een vorschóót ghegeven
Voor een bay-slopen. Wa was e kick oock amoureus
Op Annete de Tournay, en Janneken de geus.
O ’tis een gallant goeyken, ’tsaijn kordyale Princessen,
Sy braveeren de Waerelt in ambitjeuse grandessen.
En hadde kick met hoor niet alleghere ghebancketeert,
’k En had t’Handwerpen niet so schandelaijck ghefalgeert.

Jerolimo

 
Het [=Amsterdam] is wel een mooie stad, maar het volkje is erg raar;
In Brabant zijn de mensen over het algemeen zeer verfijnd,
In kleding en in dracht, zo naar de Spaanse mode,
Als kleine koninkjes of zichtbare goden.
O keizerlijke stad! Antwerpen groot en rijk,
Ik geloof nauwelijks dat de zon een gelijke van u beschijnt,
In overvloed van vruchtbare grond, in schoonheid van weilanden.
In triomfantelijke kerken, in devote kloosters en statige gebouwen,
In indrukwekkende stadswallen, alles vol met aangenaam groen,
In kaaien en havenhoofden waarlangs de brede rivier stroomt, het water van de Schelde,
En vloeit tot op de Meir. Als ik jullie eens zou vertellen
Over mijn avontuurtjes met de dochters in herberg De Beer,
Betje en Maaike, en met hun nicht, de mooie Klaar,
Die over straat triptrap en met zo een getippel gaat
Dat men haar beoordeelt en waardeert als het beste van de Lepelstraat
En van de Venusbuurt:[1]  werkelijk, ze zijn wel gracieus.
De gouverneur van de Citadel, die beminde haar als een dwaas,
Hij was zo’n rokkenjager – dat had je van je leven nooit gezien.
Hoe dikwijls heeft hij haar geen jurk of een bovenrok gegeven
Voor een bijslaap. Wat was ik toch ook verliefd
Op Annette de Tournay, en Jannetje de Geus,
Het is een galant volkje, het zijn vriendelijke prinsessen
Ze overtreffen de wereld in statige deftigheid.
En had ik niet met hen allen feest gevierd,
Dan had ik Antwerpen niet zo schandelijk moeten ontvluchten.
 
[1] De Lepelstraat en de Venusbuurt: de rosse buurt in Antwerpen.