facebookglueinstagramlinkedinpinteresttwitter
Kies je taal:

Verzen


1890, poëzie

Het eerste gedicht (links) bevat een van de bekenste (openings)verzen uit onze literatuurgeschiedenis.

Het tweede gedicht (rechts) is geschreven op 25 november 1881, naar aanleiding van het overlijden van Jacques Perk.

V.

Ik ben een God in ’t diepst van mijn gedachten,
     En zit in ’t binnenst van mijn ziel ten troon

     Over mij-zelf en ’t al, naar rijksgeboôn
Van eigen strijd en zege, uit eigen krachten, —

En als een heir van donker-wilde machten
     Joelt aan mij op en valt terug, gevloôn
     Voor ’t heffen van mijn hand en heldre kroon:
Ik ben een God in ’t diepst van mijn gedachten.

En tóch, zoo eind’loos smacht ik soms om rond
     Úw overdierbre leên den arm te slaan,
         En, luid uitsnikkende, met al mijn gloed

     En trots en kalme glorie te vergaan
         Op úwe lippen in een wilden vloed
Van kussen, waar ’k niet langer woorden vond.

LVIII.

O vrouwe, ik weet niet of de starren weenen,
     ’t Licht hun gezicht in zilvren tranen baadt,
     Of Liefde’s lach is over ’t klaar gelaat
Van wie zich zèlve alléén hun lust ontleenen:

Want hel als tranen ruischt de lach daarhenen, —
     Maar sterre-nacht rijst, waar Gij stralend staat,
     En diep in ’t hart den gloed dier oogen slaat,
Die traan en lach en lust en leed vereenen. —

En ’k peins, wanneer die lange blikken stroomen,
     Waarheen der mijmring beelden-stoet hen trekt, —
Die, beurtlings blijde en bleek, al vliedend komen,…

     Tot iedre blik in mij de bede wekt:
Och, mochten ze eeuwig dus ónwetend droomen,
     Of ’t waas der vreugd of ’t floers der smart hen dekt.