facebookglueinstagramlinkedinpinteresttwitter
Kies je taal:

Poëzy of verscheide gedichten


1650, poëzie

Het eerste fragment (links) komt uit een gedicht n.a.v. de plechtige opening van een hogeschool in Amsterdam (in 1632). Vondel jubelt. In het gedicht ‘drinckt’ zijn pen ‘sich droncken in onsterfelycken inckt’ en onthaalt en omschrijft zij met geestdrift de verschillende disciplines: de filosofie, de welsprekendheid, het recht, de geschiedenis en de geneeskunst. Als laatste komt de poëzie aan bod, hét beste deel.

Het tweede fragment (rechts) is een beroemd gedicht van Vondel. In 1632 verloor hij zijn zoontje Constantijn, amper een week oud. De jongen was zo genoemd naar het epos dat de door de dichtkunst geknevelde dichter absoluut wilde schrijven. Het jaar daarop volgde tijdens een pokkenepidemie het achtjarige dochtertje Saartje. De rouwstrofen omringen schrijnend de evocatie van de spelletjes van het levenslustige kind. In de slotregels – een afwijzing van de troost die een lijkdicht geacht werd te besluiten – las Kees Fens ‘ijdel-verklaring van het eigen dichten in het zicht van de dood’.

Zie o.m. Joost van den Vondel, Volledige dichtwerken en oorspronkelijk proza. Bezorgd door Mieke B. Smits-Velt en Marijke Spies. Amsterdam: Becht (1986).

Inwying der doorluchtige Schoole t’ Amsterdam

 
De Poësy, het Goddelijckst van al,
Spant keel en snaer op sluysenwaterval,
En trippelt op fluweelen burreghwal,
Die krielt van swaenen.
Se dompelt Baerles kop in d’Amstelbron,
Se schept, door hem, in Holland Helikon.
Ick quinckeleer, beschaduwt voor de son
In lindelaenen.
O goude lettereeuw! o wyse lent!
O lucht vol geurs, na ’s onweers dreygement!
Ick raeskal, of Apol is hier ontrent…
 
[Met de ‘fluweelen burreghwal’ is de Oudezijds Voorburgwal bedoeld, zo genoemd vanwege de rijke bewoners, en vanwaar men toegang had tot het hogeschoolgebouw. Baerle is Caspar Baerlaeus, die de leerstoel filosofie zou bekleden, maar die ook een zeer beroemd Latijns dichter was. De gracht wordt een poëtisch zwanenmeer, de bron van de Amstel de tegenhanger van de Griekse hengsten- of dichtersbron. De poëzie dompelt er Baerles hoofd in: er ontstaat een nieuwe Hollands Helikon, de berg waar Apollo met zijn muzen zetelt. De verrukte dichter Vondel zal zich bescheiden in de linden aan de grachten ophouden.]

Uitvaert van mijn dochterken
 
De felle Doot, die nu geen wit magh zien,
     Verschoont de grijze liên.
Zy zit om hoogh, en mickt  met haren schicht
     Op het onnozel wicht,
   En lacht, wanneer in ’t scheien,
   De droeve moeders schreien.
Zy zagh ’er een, dat, wuft en onbestuurt,
     De vreught was van de buurt,
En, vlugh te voet, in ’t slingertouwtje sprong;
     Of zoet Fiane zong,
   En huppelde, in het reitje,
   Om ’t lieve lodderaitje:
Of dreef, gevolght van eene wackren troep,
     Den rinckelenden hoep
De straten door: of schaterde op een schop:
     Of speelde met de pop,
   Het voorspel van de dagen,
   Die d’eerste vreught verjagen:
Of onderhiel, met bickel en boncket,
     De kinderlijcke wet,
En rolde en greep, op ’t springend elpenbeen,
     De beentjes van den steen;
   En had dat zoete leven
   Om gelt noch goet gegeven:
Maar wat gebeurt? Terwijl het zich vermaackt,
     Zoo wort het hart geraackt,
(Dat speelzieck hart) van eenen scharpen flits,
     Te dootlick en te bits.
   De Doot quam op de lippen,
   En ’t zieltje zelf ging glippen.
Toen stont helaas! de jammerende schaar
      Met tranen om de baar,
En kermde noch op ’t lijck van haar gespeel,
      En wenschte lot en deel
   Te hebben met haar kaartje
   En doot te zijn als Saertje.
De speelnoot vlocht (toen ’t anders niet moght zijn)
      Een krans van roosmarijn,
Ter liefde van heur beste kameraat.
      O krancke troost! Wat baat
    De groene en goude lover?
    Die staatsi gaat haast over.
 
[Wuft: beweeglijk; Fiane: een dansliedje dat in het reitje gezongen werd over het lieve loddereitje, het kind dat in het midden van de kring stond. Bickel: bedoeld is het bikkelspel waarbij de bikkels (schapenbeentjes) moeten worden gegrepen op het springen van een boncket (stuiter), die van ivoor was; gespeel: vriendinnetje; roosmarijn: eeuwigheidssymbool].