Kies je taal:

De blinde vlek



Op deze pagina verzamelen we columns, essays en andere teksten waarin iemand een lans breekt voor een ontbrekende titel in de literaire canon. Stuur ons je tekst door en zorg zo mee voor een dynamische canon. Wil je liever reageren met een videofragment? Dat kan ook. Die reacties verzamelen we hier.

Lees vooraf wel even onze criteria, zodat we geen appelen met citroenen vergelijken.

Het is helaas onmogelijk om alle reacties te publiceren maar we zullen nu en dan een representatieve selectie uit de respons publiceren. Alvast veel dank voor je begrip.

Tot slot: we ontvangen heel wat reacties die alleen de titel van een werk en de naam van de auteur vermelden. Als ze aan de criteria voldoen, worden die suggesties in een lijst opgenomen die hier op gezette tijden zal worden gepubliceerd.

Hartelijk dank voor jullie reacties en jullie grote betrokkenheid bij de literaire canon!


Ernest Claes, Daar is een mens verdronken, 1953

(De keuze van Denise Glorieux-Vekeman)

Ik denk aan het werk van Ernest Claes 'Daar is een mens verdronken'.
Het is één van de mooiste werken die ik ooit las.
De prachtige schrijfstijl van Ernest Claes neemt ons mee naar de tijd van toen.
Toestanden die helemaal niet kunnen maar toch plaats vonden.
Eigenlijk is het een verhaal over mensen die misbruik maken van de omstandigheden.
De kern van het verhaal laat zien dat er eigenlijk nog niet zo veel veranderd is de dag van vandaag.
Ook nu gebeurt het nog dat criminelen kwetsbaren in hun macht hebben en profijt halen uit hun situatie.
Ik begrijp niet waarom er niet één werk in de lijst staat van een schrijver die toch één van onze
meest verkopende auteurs was.
Iedereen kent en vooral ouderen hebben 'De Witte' gelezen.
'Daar is een mens verdronken' is een totaal ander boek, geen heimat- maar meer literatuur werk.
De auteur neemt zijn lezers mee in het verhaal van begin tot einde.
Hij bezat de kunst van het vertellen en dat merk je als je het werk leest.
Het is zo helder en duidelijk geschreven dat je direct weet waarover het gaat.
Ik hoop dat zijn werk toch eens serieus onder de loep wordt gehouden en dat men dan pas
conclusies trekt.
In ieder geval heb ik, en ik zal allicht niet de enige zijn, veel leesgenot gehad aan de
werken van Ernest Claes.
En dat zijn werken nu zestig jaar na zijn overlijden nog steeds actueel zijn, bewijst de vrt.
Denken we maar aan 'De Heren van Zichem' die ze opnieuw in het weekend op het scherm brengt.


Simon Vestdijk, De koperen tuin, 1949

(De keuze van Albert Ypma)

Voor de ontbrekende ´blinde vlek´ in de canon van de Nederlandstalige literatuur nomineer ik de roman De koperen tuin van Simon Vestdijk.

De ´blinde vlek´ is natuurlijk een uitnodiging om nog eens goed na te denken over welk werk onder de Nederlandstalige klassieken nu toch eigenlijk niet gemist kan worden. Zijn het de dagboeken van de 19e eeuwer Willem de Clercq? (Helaas vanwege ´dagboek´ – en deels in het Frans geschreven – niet te nomineren). Een werk van Herman Teirlinck, bijvoorbeeld de merkwaardig mooie roman Maria Speermalie? Of het meer exotische De rots der struikeling van de Antilliaanse schrijver Boeli van Leeuwen?
Nee.
Doorslaggevend zijn enkele zinnen die mij mijn hele leven zijn bijgebleven. Ze komen uit de slotpagina van De koperen tuin: ´Eens had ik daar als palfrenier op de bok gezeten, achter mij mijn moeder en drie van haar vriendinnen, die keuvelden, die lachten, die kleurige parasols hanteerden´.
´Daar op die hoogten vormden kunstmatige rotsen een niet te strenge drempel naar een klein dal, en in dit dal was iets voorgevallen tussen kinderen, dat door niemand was opgemerkt dan door haar, die daar al een teken in had menen te zien´.
´De hoge bomen hadden toegekeken daarbij, de muziektent met de blazers en de andere potsenmakers had toegekeken, de muziek had geschetterd, de soezen waren rondgereikt´.
In deze slotpagina, en in deze zinnen, komt De koperen tuin tot een harmonische afronding – die ook alweer vooruitwijst (een teken voor wat?) -, en zo´n afronding lijkt me één van de belangrijkste criteria om een werk klassiek te noemen.
[Vestdijk (1898 – 1971) was een Nederlands romanschrijver, dichter, essayist, vertaler, muziekcriticus en arts].


Nicolaas Beets, Camera Obscura, 1839

(De keuze van L. Thomas)

Volgens mij mocht ook “CAMERA OBSCURA” van Nicolaas Beets een plaats krijgen in de vernieuwde canon van de Nederlandstalige literatuur.
Omwille van de wijze waarop Hildebrand het dagelijkse 19de –eeuwse (burger)leven observeert en deze scènes beschrijft in een nog leesbaar Nederlands ,verdient dit werk een plaats in de canon.
Met humor en empathie worden zijn personages psychologisch getypeerd.
Het werk getuigt van een sociaal bewogen realisme, wat zeker niet vanzelfsprekend was in die tijd.


J.M.H. Berckmans, Café De Raaf nog steeds gesloten, 1990 / Het zomert in Barakstad, 1993 

(De keuze van Chris Ceustermans)

De literaire canon versus J.M.H. Berckmans.

Na het gedwongen ontslag van Jef Geeraerts' omstreden Black Venus uit de Canon van Nederlandstalige Literatuur staat daar een vacature open voor een onsterfelijke dode. Als de canon boeken naar voren wil schuiven die hun stempel drukken op taal en tijdsgeest dan dringt een sollicitant zich op: J.M.H. Berckmans met als getuigschriften de klassiekers als Het zomert in Barakstad (1993) of Café De Raaf nog steeds gesloten (1990). Deze poète maudit van de onze letteren was één van de eersten die de angst van de postmoderne quarantainemens onder woorden bracht.

Nu ik blind ben en niet meer zing, nu ik doof ben en niet meer spreek, nu ik stom ben en niet meer hoor, nu ik transparant geworden ben, hebben ze me hierheen gekeild, hier waar existeren de enige mogelijkheid is, in zot geweld en zonder geld. Maar ik kan schrijven en dus schrijf ik.' Zo klonk J.M.H. Berckmans (1958-2008) in zijn laatste levensjaren. Toen was de biotoop van de nog amper vijftig kilogram wegende taalmuzikant beperkt tot zijn OCMW-studio, het zorgcentrum en enkele straten uit de Antwerpse Brederodebuurt. Berckmans’ communicatie met de buitenwereld werd grotendeels verzorgd door de plaatselijke fietshandelaar aan wie hij e-mails en teksten dicteerde. Berckmans' laatste literaire werk ‘rust’ nog steeds in de pc van die fietswinkel.

In vergelijking met Berckmans' korte maar woeste bestaan, lijken de meeste hedendaagse schrijvers serreplantjes. Het is echter niet omwille van zijn rusteloze loopbaan van arm arbeiderskind over makelaar in goedkope schoenen in Italië tot mislukt concertorganisator en psychiatrisch patiënt dat Berckmans' legendarische Het zomert in Barakstad in de canon thuishoort. Dat er in het bestaan van 'Pafke het meest concrete Mafke' stof zit voor een dozijn Fellini-films leidt af van de essentie: zijn proza. Net zoals zijn voorgangers, Van Ostaijen, Boontje en Ivo Michiels kneedde Berckmans onze taal tot een spiegel van zijn ontreddering en van de dolgedraaide samenleving. Die bestookte hij met woordensalvo's als ' (...) speedy gonzales en de barmhartige samaritaan zijn dood en begraven amen en uit zijn al lang naar huis gegaan en onder water ligt nog steeds een pater met z'n tenen boven water te rotten de studenten dementeren en de dementen regeren en de regering studeert (...)'

Berckmans' taal was geen huiskamerexercitie in virtuositeit, maar een gevecht met zichzelf en een wereld die op het eind van de vorige eeuw bliksemsnel veranderde in een globale, digitale en hypercompetitieve hub. J.M.H. kon en wilde niet meedraaien in die brave new world. Zijn wanhopige stem is die van de sukkelaars en de verliezers van een postindustriële samenleving en imploderende zekerheden & levens. Zijn werk beschrijft feesten van Angst en Pijn waar zot polleke, Guido Gezelle en T.C. Matic door elkaar dansen en zingen.

Bij het grote publiek waren Berckmans' eigenzinnige taal en verhalenbundels eerder berucht dan populair. Collega-auteurs van zijn generatie, van Tom Lanoye tot Peter Verhelst, beschouwen Berckmans als een onnavolgbare maestro. De 'generatie (ni)x'-schrijver Paul Mennes liet in 1995 optekenen dat zijn toetsenbord met een bijl te lijf wilde slaan wanneer hij Het zomert in Barakstad las - 'want dat ga je nooit kunnen'. Een literaire prijs heeft Berckmans bij leven echter nooit gewonnen, ondanks diverse nominaties en een groeiende consensus - ook bij literatuurwetenschappers - over zijn unieke woordenkracht.

Als de canon van de Academie werken naar voren wil schuiven die literair én maatschappelijk essentieel blijken, dan kunnen koninklijke dames en heren moeilijk om Berckmans heen, die ook vele jonge auteurs blijft fascineren. De 'superdiversiteit' die de Koninklijke Academie met haar oproep voor een uitgebreide canon nastreeft, wordt daarbij hopelijk niet verengd tot een blindstaren op huidskleuren of een etnisch wit-zwart-denken. Wie onze literatuurgeschiedenis kent, weet dat heel wat van de werken en auteurs die nu in de canon prijken in hun tijd aangevallen of zelfs gediscrimineerd werden om redenen van religieuze, seksuele of politieke aard. Dat Berckmans, net als Jef Geeraerts, een broertje dood had aan zelfcensuur, dichtgeknepen billen en de angst om als onwelriekend of niet-weldenkend te worden beschouwd, mag dan toch geen bezwaar zijn?



Chris Ceustermans: werkte als journalist voor onder meer De Morgen. In 2014 verscheen de roman De Boekhandelaar (genomineerd voor de Bronzen Uil). Hij publiceerde in 2018 het non-fictieboek over de taalmuzikant J.M.H. Berckmans: Schrijven in de Grauwzone. Momenteel schrijft hij het verhaal van de culturele reus Emmanuel de Bom en diens worsteling met zijn tijd. 


J.H. Leopold, Verzamelde verzen, 1982

(De keuze van Francis Vereecke)

Een verbazingwekkende omissie in de literaire canon is de dichter J.H. Leopold. Zijn ‘Verzamelde verzen’ (1982), uitgegeven door Sötemann en Van Vliet bij Athenaeum-Polak en Van Gennep, zou zeker een plaats in de canon moeten krijgen.

Dichters die wel een plaats in de canon kregen, zoals J.C. Bloem, M. Nijhoff en I. Gerhardt, beschouwen Leopold terecht als de top van de Nederlandse poëzie. Nijhoff stelde Leopold voor als kandidaat voor de Nobelprijs. Leopolds leerlinge Ida Gerhardt schreef over Leopold (“die Cheops schiep”): “Adelaar was hij tot de laatste strofe, toppen overzwevende waar geen sterveling ooit genaakt” (in het gedicht ‘Leopold’). J.C. Bloem schreef in een essay over Leopold: “J.H. Leopold is buiten kijf de allergrootste figuur sinds eeuwen in de Nederlandse letterkunde.”
De top van de Nederlandse poëzie mag toch niet ontbreken in een literaire canon?