Kies je taal:

De blinde vlek



Op deze pagina verzamelen we columns, essays en andere teksten waarin iemand een lans breekt voor een ontbrekende titel in de literaire canon. Stuur ons je tekst door en zorg zo mee voor een dynamische canon. Wil je liever reageren met een videofragment? Dat kan ook. Die reacties verzamelen we hier.

Lees vooraf wel even onze criteria, zodat we geen appelen met citroenen vergelijken.

Het is helaas onmogelijk om alle reacties te publiceren maar we zullen nu en dan een representatieve selectie uit de respons publiceren. Alvast veel dank voor je begrip.

Tot slot: we ontvangen heel wat reacties die alleen de titel van een werk en de naam van de auteur vermelden. Als ze aan de criteria voldoen, worden die suggesties in een lijst opgenomen die hier op gezette tijden zal worden gepubliceerd.

Hartelijk dank voor jullie reacties en grote betrokkenheid bij de literaire canon!


Virginie Loveling, Een revolverschot, 1911

(De keuze van Marc Reynebeau)

"[...] als Tantes van Buysse nu in de canon mag, dan was een nog radicaler, wellicht beter alternatief denkbaar: Een revolverschot (1911) van Virginie Loveling. Ja, Loveling was een tante van Buysse, maar vooral een schrijfster, en wat voor een. Pikant detail: in de canoncommissie zetelt Leen Huet, die zich sterk maakt voor vrouwelijke auteurs, maar ook Een revolverschot goed kent: bij een heruitgave in 1998 schreef ze een inleiding. [...]

Tantes en het dertien jaar eerder verschenen Een revolverschot lopen opvallend parallel in hun setting - de dorpsnotabelen van Nevele - en in hun thematiek. Zijn de hoofdpersonages bij Buysse drie rijke, ongetrouwde tantes en hun drie nichtjes, bij Loveling zijn het twee ongetrouwde notarisdochters. Allen belanden in een gelijkaardig passioneel conflict, dat draait om hartstocht, begeerte en zelfbeschikking. Die 'hachelijke gemoedsstorm', dixit Loveling, kan alleen catastrofaal eindigen, als gevolg van de hypocriete burgermoraal, gebrekkige wereldwijsheid ('naïeve oude-meisjesonschuld') en de beperkte handelingsruimte voor vrouwen. Daarin zijn Buysse en Loveling even deterministisch.

Bij Buysse loopt het drama uit op ofwel bittere berusting, ofwel, bij wie dat niet wil, op hysterie en waanzin, de klassieke mannelijke interpretatie (of is het: wegwuiven?) van de vrouwelijke weigering. Bij Loveling is de uitkomst veel radicaler (en ook spannend): moord - zie de titel van de roman. De misdaad zelf blijft onopgelost en spookt rond; de zussen wonen overigens naast het kerkhof. Onopgelost blijft vooral wat omgaat in hun hart, 'de hachelijkheden van middeleeuwse kerkers'. Nooit mag dat zichtbaar worden of erkenning krijgen. Alles blijft 'verheimelijkt' en onuitgesproken. Dat communicatieve onvermogen over emoties klinkt nog altijd erg vertrouwd. En de zus die onder de druk van alle geheimen en twijfels verzinkt in gevoelloze afzijdigheid, wordt in het dorp 'zot' genoemd - het had 'hysterisch' kunnen zijn.

Maar helaas, een ruim een eeuw oude roman als Een revolverschot draagt de sporen van zijn leeftijd, zeker in het krakende Nederlands van toen. Het boek heeft nood aan een liefdevolle restauratie. Dat kreeg het niet bij de jongste heruitgaven in 1983 en 1998. Die serveerden een beruchte 'hertaling' van wijlen Karel Jonckheere, een onvolledige, soms onjuiste en vaak ergerlijk tuttige bewerking van de oorspronkelijke tekst. De canonieke meesters van de Vlaamse overheid moeten dat maar eens ter harte nemen.[...]

[Dit is een fragment uit een langere tekst van Marc Reynebeau die op 25 juli 2020 in De Standaard der Letteren is verschenen. De volledige tekst is hier terug te vinden.]

Ernest Claes, Daar is een mens verdronken, 1953

(De keuze van Denise Glorieux-Vekeman)

Ik denk aan het werk van Ernest Claes 'Daar is een mens verdronken'.
Het is één van de mooiste werken die ik ooit las.
De prachtige schrijfstijl van Ernest Claes neemt ons mee naar de tijd van toen.
Toestanden die helemaal niet kunnen maar toch plaats vonden.
Eigenlijk is het een verhaal over mensen die misbruik maken van de omstandigheden.
De kern van het verhaal laat zien dat er eigenlijk nog niet zo veel veranderd is de dag van vandaag.
Ook nu gebeurt het nog dat criminelen kwetsbaren in hun macht hebben en profijt halen uit hun situatie.
Ik begrijp niet waarom er niet één werk in de lijst staat van een schrijver die toch één van onze
meest verkopende auteurs was.
Iedereen kent en vooral ouderen hebben 'De Witte' gelezen.
'Daar is een mens verdronken' is een totaal ander boek, geen heimat- maar meer literatuur werk.
De auteur neemt zijn lezers mee in het verhaal van begin tot einde.
Hij bezat de kunst van het vertellen en dat merk je als je het werk leest.
Het is zo helder en duidelijk geschreven dat je direct weet waarover het gaat.
Ik hoop dat zijn werk toch eens serieus onder de loep wordt gehouden en dat men dan pas
conclusies trekt.
In ieder geval heb ik, en ik zal allicht niet de enige zijn, veel leesgenot gehad aan de
werken van Ernest Claes.
En dat zijn werken nu zestig jaar na zijn overlijden nog steeds actueel zijn, bewijst de vrt.
Denken we maar aan 'De Heren van Zichem' die ze opnieuw in het weekend op het scherm brengt.


Simon Vestdijk, De koperen tuin, 1949

(De keuze van Albert Ypma)

Voor de ontbrekende ´blinde vlek´ in de canon van de Nederlandstalige literatuur nomineer ik de roman De koperen tuin van Simon Vestdijk.

De ´blinde vlek´ is natuurlijk een uitnodiging om nog eens goed na te denken over welk werk onder de Nederlandstalige klassieken nu toch eigenlijk niet gemist kan worden. Zijn het de dagboeken van de 19e eeuwer Willem de Clercq? (Helaas vanwege ´dagboek´ – en deels in het Frans geschreven – niet te nomineren). Een werk van Herman Teirlinck, bijvoorbeeld de merkwaardig mooie roman Maria Speermalie? Of het meer exotische De rots der struikeling van de Antilliaanse schrijver Boeli van Leeuwen?
Nee.
Doorslaggevend zijn enkele zinnen die mij mijn hele leven zijn bijgebleven. Ze komen uit de slotpagina van De koperen tuin: ´Eens had ik daar als palfrenier op de bok gezeten, achter mij mijn moeder en drie van haar vriendinnen, die keuvelden, die lachten, die kleurige parasols hanteerden´.
´Daar op die hoogten vormden kunstmatige rotsen een niet te strenge drempel naar een klein dal, en in dit dal was iets voorgevallen tussen kinderen, dat door niemand was opgemerkt dan door haar, die daar al een teken in had menen te zien´.
´De hoge bomen hadden toegekeken daarbij, de muziektent met de blazers en de andere potsenmakers had toegekeken, de muziek had geschetterd, de soezen waren rondgereikt´.
In deze slotpagina, en in deze zinnen, komt De koperen tuin tot een harmonische afronding – die ook alweer vooruitwijst (een teken voor wat?) -, en zo´n afronding lijkt me één van de belangrijkste criteria om een werk klassiek te noemen.
[Vestdijk (1898 – 1971) was een Nederlands romanschrijver, dichter, essayist, vertaler, muziekcriticus en arts].


Nicolaas Beets, Camera Obscura, 1839

(De keuze van L. Thomas)

Volgens mij mocht ook “CAMERA OBSCURA” van Nicolaas Beets een plaats krijgen in de vernieuwde canon van de Nederlandstalige literatuur.
Omwille van de wijze waarop Hildebrand het dagelijkse 19de –eeuwse (burger)leven observeert en deze scènes beschrijft in een nog leesbaar Nederlands ,verdient dit werk een plaats in de canon.
Met humor en empathie worden zijn personages psychologisch getypeerd.
Het werk getuigt van een sociaal bewogen realisme, wat zeker niet vanzelfsprekend was in die tijd.


J.M.H. Berckmans, Café De Raaf nog steeds gesloten, 1990 / Het zomert in Barakstad, 1993 

(De keuze van Chris Ceustermans)

De literaire canon versus J.M.H. Berckmans.

Na het gedwongen ontslag van Jef Geeraerts' omstreden Black Venus uit de Canon van Nederlandstalige Literatuur staat daar een vacature open voor een onsterfelijke dode. Als de canon boeken naar voren wil schuiven die hun stempel drukken op taal en tijdsgeest dan dringt een sollicitant zich op: J.M.H. Berckmans met als getuigschriften de klassiekers als Het zomert in Barakstad (1993) of Café De Raaf nog steeds gesloten (1990). Deze poète maudit van de onze letteren was één van de eersten die de angst van de postmoderne quarantainemens onder woorden bracht.

Nu ik blind ben en niet meer zing, nu ik doof ben en niet meer spreek, nu ik stom ben en niet meer hoor, nu ik transparant geworden ben, hebben ze me hierheen gekeild, hier waar existeren de enige mogelijkheid is, in zot geweld en zonder geld. Maar ik kan schrijven en dus schrijf ik.' Zo klonk J.M.H. Berckmans (1958-2008) in zijn laatste levensjaren. Toen was de biotoop van de nog amper vijftig kilogram wegende taalmuzikant beperkt tot zijn OCMW-studio, het zorgcentrum en enkele straten uit de Antwerpse Brederodebuurt. Berckmans’ communicatie met de buitenwereld werd grotendeels verzorgd door de plaatselijke fietshandelaar aan wie hij e-mails en teksten dicteerde. Berckmans' laatste literaire werk ‘rust’ nog steeds in de pc van die fietswinkel.

In vergelijking met Berckmans' korte maar woeste bestaan, lijken de meeste hedendaagse schrijvers serreplantjes. Het is echter niet omwille van zijn rusteloze loopbaan van arm arbeiderskind over makelaar in goedkope schoenen in Italië tot mislukt concertorganisator en psychiatrisch patiënt dat Berckmans' legendarische Het zomert in Barakstad in de canon thuishoort. Dat er in het bestaan van 'Pafke het meest concrete Mafke' stof zit voor een dozijn Fellini-films leidt af van de essentie: zijn proza. Net zoals zijn voorgangers, Van Ostaijen, Boontje en Ivo Michiels kneedde Berckmans onze taal tot een spiegel van zijn ontreddering en van de dolgedraaide samenleving. Die bestookte hij met woordensalvo's als ' (...) speedy gonzales en de barmhartige samaritaan zijn dood en begraven amen en uit zijn al lang naar huis gegaan en onder water ligt nog steeds een pater met z'n tenen boven water te rotten de studenten dementeren en de dementen regeren en de regering studeert (...)'

Berckmans' taal was geen huiskamerexercitie in virtuositeit, maar een gevecht met zichzelf en een wereld die op het eind van de vorige eeuw bliksemsnel veranderde in een globale, digitale en hypercompetitieve hub. J.M.H. kon en wilde niet meedraaien in die brave new world. Zijn wanhopige stem is die van de sukkelaars en de verliezers van een postindustriële samenleving en imploderende zekerheden & levens. Zijn werk beschrijft feesten van Angst en Pijn waar zot polleke, Guido Gezelle en T.C. Matic door elkaar dansen en zingen.

Bij het grote publiek waren Berckmans' eigenzinnige taal en verhalenbundels eerder berucht dan populair. Collega-auteurs van zijn generatie, van Tom Lanoye tot Peter Verhelst, beschouwen Berckmans als een onnavolgbare maestro. De 'generatie (ni)x'-schrijver Paul Mennes liet in 1995 optekenen dat zijn toetsenbord met een bijl te lijf wilde slaan wanneer hij Het zomert in Barakstad las - 'want dat ga je nooit kunnen'. Een literaire prijs heeft Berckmans bij leven echter nooit gewonnen, ondanks diverse nominaties en een groeiende consensus - ook bij literatuurwetenschappers - over zijn unieke woordenkracht.

Als de canon van de Academie werken naar voren wil schuiven die literair én maatschappelijk essentieel blijken, dan kunnen koninklijke dames en heren moeilijk om Berckmans heen, die ook vele jonge auteurs blijft fascineren. De 'superdiversiteit' die de Koninklijke Academie met haar oproep voor een uitgebreide canon nastreeft, wordt daarbij hopelijk niet verengd tot een blindstaren op huidskleuren of een etnisch wit-zwart-denken. Wie onze literatuurgeschiedenis kent, weet dat heel wat van de werken en auteurs die nu in de canon prijken in hun tijd aangevallen of zelfs gediscrimineerd werden om redenen van religieuze, seksuele of politieke aard. Dat Berckmans, net als Jef Geeraerts, een broertje dood had aan zelfcensuur, dichtgeknepen billen en de angst om als onwelriekend of niet-weldenkend te worden beschouwd, mag dan toch geen bezwaar zijn?



Chris Ceustermans werkte als journalist voor onder meer De Morgen. In 2014 verscheen de roman De Boekhandelaar (genomineerd voor de Bronzen Uil). Hij publiceerde in 2018 het non-fictieboek over de taalmuzikant J.M.H. Berckmans: Schrijven in de Grauwzone. Momenteel schrijft hij het verhaal van de culturele reus Emmanuel de Bom en diens worsteling met zijn tijd. 


J.H. Leopold, Verzamelde verzen, 1982

(De keuze van Francis Vereecke)

Een verbazingwekkende omissie in de literaire canon is de dichter J.H. Leopold. Zijn ‘Verzamelde verzen’ (1982), uitgegeven door Sötemann en Van Vliet bij Athenaeum-Polak en Van Gennep, zou zeker een plaats in de canon moeten krijgen.

Dichters die wel een plaats in de canon kregen, zoals J.C. Bloem, M. Nijhoff en I. Gerhardt, beschouwen Leopold terecht als de top van de Nederlandse poëzie. Nijhoff stelde Leopold voor als kandidaat voor de Nobelprijs. Leopolds leerlinge Ida Gerhardt schreef over Leopold (“die Cheops schiep”): “Adelaar was hij tot de laatste strofe, toppen overzwevende waar geen sterveling ooit genaakt” (in het gedicht ‘Leopold’). J.C. Bloem schreef in een essay over Leopold: “J.H. Leopold is buiten kijf de allergrootste figuur sinds eeuwen in de Nederlandse letterkunde.”
De top van de Nederlandse poëzie mag toch niet ontbreken in een literaire canon?


Ward Ruyslinck, Het reservaat, 1964

(De keuze van Frits de Vries)

Ik stel voor als +1 literaire werk op te nemen Het reservaat van Ward Ruyslinck (1964)

Onlangs verscheen Dubbellevens: Ward Ruyslinck, biografie en Hans Renders zette boven zijn bespreking van dit boek de kop ‘Vlaming Raymond De Belser was toen hij nog leefde al een vergeten schrijver’ (Het Parool, 27 juni 2020). Zou hierdoor het werk van Ward Ruyslinck in de blinde vlek van de canoncommissie zijn terechtgekomen?

In 1965 uitte Ruyslinck in zijn lezing ‘Lof en kritiek van mijn generatie’ zijn bezorgdheid over de toenemende mate waarin de menselijke waarden uit de literatuur verdwenen. Een deel van deze lezing werd onder de titel ‘Drek- en driftliteratuur’ gepubliceerd in Dietsche Warande & Belfort. In de hierop volgende polemiek met de criticus Kees Fens moest hij – vanuit de neutrale lezer gezien – het onderspit delven en heeft hij een deel van zijn lezerspubliek verloren. Vierenveertig jaar later gaf Frits Abrahams in zijn column ‘Drek en drift’ Ruyslinck geen ongelijk (NRC, 16 juni 2009) en tijdens mijn onderzoek voor de biografie heb ik veel mensen ontmoet die Ward Ruyslinck hoog in het vaandel hebben, maar hun stem wordt helaas niet gehoord.

Ruyslinck had grote waardering voor de Verenigde Staten die een belangrijke rol hadden gespeeld bij de bevrijding van Europa en hoopte dat er nooit meer oorlog zou zijn. Maar daarin werd hij in de jaren vijftig en zestig teleurgesteld: eerst brak de oorlog in Korea uit en later die in Vietnam waarin oorlogsmisdaden niet werden geschuwd. Ook de binnenlandse politiek van Amerika, waarin mensen met socialistische ideeën mccarthyistisch (op basis van zwak of zelfs onbestaand bewijs) werden beschuldigd van communistische activiteiten, vervulde hem met weerzin. Hij verafschuwde de groeiende rol van het kapitalisme in het maatschappelijk bestel van de VS. Het aforisme van Greshoff – ‘Wanneer de Europese beschaving werkelijk eens sterft, dan is het aan de ziekte welke Amerikanisme heet, aan een wereldbeschaving uitsluitend gebouwd op de begrippen nut en winst.’ – inspireerde Ruyslinck tot zijn roman Het reservaat, waarin hij een dystopische ‘Utipro-maatschappij’ beschreef – een samenleving geheel gebaseerd op Utility-and-Profit, waarin voor kunst en gevoel geen plaats is.

Over de inhoud van het boek hoef ik niet uit te wijden, want het is door zeer velen gelezen: in 33 jaar zijn er 22 drukken verschenen. In dit pleidooi om Het reservaat van Ruyslinck op te nemen in de Canon van Nederlandstalige literatuur maak ik graag gebruik van de tekst van Jan Greshoff die onder de kop ‘Ontmenselijking van de mens’ in Het Vaderland van 11 juli 1964 schreef:

Ruyslincks roman is veel te rijk aan motieven dan dat men deze ook maar bij benadering kan inventariseren. Daarbij beschikt hij over een onbeperkte schakering aan geestelijke atmosferen. Telkens op het enig juiste ogenblik roept hij er een van op. Nu eens is hij verbitterd, dan satirisch ironisch. Nu is hij doodernstig, dan weer ontwikkelt hij een persoonlijke humor. Door deze voortdurende wisselingen heeft Het reservaat als gezegd een ongekende levendigheid gekregen. Het is een roman, welke men aandachtig moet lezen om geen enkel detail te missen, want juist die details zijn in het geheel zinrijk en op zichzelf vermakelijk. Het reservaat is een mengeling van een gewone roman, een strekkingsroman en een breed uitgewerkte conte philosophique. En van deze elementen maakte de schrijver een welgebouwd, tot in bijzonderheden verantwoord en hier en daar griezelig-grappig geheel, waaruit ik waarlijk niets kan missen.

Hier is nu eindelijk een boek met hoge letterkundige eigenschappen, eindeloos gevarieerd van beeld en toon en dat de lezer aanleiding schenkt tot langdurige en diepgaande confrontaties met zichzelf.

In plaats van Jan Greshoff had ik had net zo goed Hubert Lampo, Jan Walravens of Wim Hazeu kunnen citeren of uit één van de andere vijfentwintig besprekingen kunnen putten (bijlage 1). Ook de toespraak van prof. dr. Marcel Janssens tijdens de ‘huldeviering Ward Ruyslinck’ van de KANTL in de Vlaamse Opera te Gent op 4 december 2004 is een regelrechte aanbeveling om Het reservaat op te nemen in de Canon. Dit werk ‘zit’, volgens Janssens, ‘diep geworteld in het Europese geestesklimaat na de Tweede Wereldoorlog’ en werd dan ook vertaald in zes Europese talen (bijlage 4).

Het reservaat is door een Poolse en verschillende Vlaamse toneelschrijvers bewerkt voor toneel, dat niet alleen beroepsmatig werd opgevoerd maar ook door verschillende amateurgezelschappen. Zo heeft dit werk bijgedragen aan de culturele vorming van velen (bijlage 5).

Tot slot wil ik verwijzen naar enkele licentiaatsverhandelingen (bijlage 6). Het reservaat wordt door twee studenten beschouwd vanuit de vorm, thematiek en structuur. Een andere student belicht de themalijnen, de indeling en de tempoduidingen ‘die het werk van Ruyslinck bijna tot een muzikaal stuk maken dat door Beethoven geschreven zou kunnen zijn.’ Drie studenten beschouwen de dystopie in Het reservaat, en vergelijken die  met de antiutopieën in 1984 en Brave new world van respectievelijk George Orwell en Aldous Huxley, werken behorend tot de wereldliteratuur.

Om al deze redenen ben ik van mening dat Het reservaat een plaats moet krijgen in de literaire canon.


De bijlagen vind je hier.


Filip De Pillecyn, Monsieur Hawarden, 1935

(De keuze van Jan Van Herreweghe)

Ondanks het feit dat Filip De Pillecyn werd veroordeeld voor fout gedrag tijdens de Tweede Wereldoorlog durf ik toch te pleiten voor Monsieur Hawarden, een bloedmooie novelle over een onderwerp ― transseksualiteit of genderfluïditeit ― dat toen nog niet met dergelijke woorden werd benoemd. Mijn keuze is ingegeven door het gemoedelijk aanbrengen van de diverse onderwerpen ― een gebroken liefde, een vlucht uit een grootstad naar een onooglijke plek, de vermomming van vrouw tot man, de aantrekkingskracht van het hoofdpersonage tot een jongeling ―, en de sfeerschepping die het verhaal kenmerken. Monsieur Hawarden werd destijds al opgemerkt door Harry Kümel, die het in 1968 verfilmde. 

Mijn keuze wordt dus bepaald door de literaire kwaliteiten van het werk en niet door het foutieve gedrag van de schrijver tijdens de Tweede Wereldoorlog.