Kies je taal:

Walewein


medio 13de eeuw, ridderroman

In dit fragment moet Walewein met zijn paard Gringolet in Endie (Indië) zien te geraken om de schone Ysabele, de dochter van koning Assentijn, te veroveren. Maar een brede rivier verspert hem de weg. Over die rivier loopt een brug, die scherp is als een zwaard en in vuur verandert zodra je het water aanraakt. De vos Roges is bereid hem door een onderaardse gang tot bij Assentijns kasteel te loodsen. Maar kun je een vos wel vertrouwen?

Bron

Penninc und Pieter Vostaert (2010). Roman van Walewein. Herausgegeben und übersetzt von Johan H. Winkelman und Gerhard Wolf. Münster: agenda Verlag, vs. 6024-6084, p. 310 - 314.

De vertaling werd speciaal voor deze gelegenheid gemaakt door Frank Willaert.

Der Walewein seide: ‘God gheve ju ere,

Roges, gheselle – dat wetic wel:

nu wert mijn rouwe al gader spel,

eest waer dat ghi mi doet verstaen.’

Die vos seide: ‘Comt ende laet ons gaen!

Durdi mi volgen, ic sal ju leden

vor den casteel, eer wi sceden,

ende ghi sult sien die scone veste.

Als ghi daer sijt, soe doet ju beste.

Haddics macht ic holpe ju mere.’

Doe ghinc Walewein die here

uten prayele die vos naer.

Gringolette lieten si daer.

Die vos sloot dat vrijthof wel

ende seide: ‘Nu volghet mi, rudder snel,

daer ic sal gaen! Sijd seker dies,

jou ne salre af comen gheen verlies –

hebbic die macht het sal ju vromen.’

Dus ghincsi bede tote dat si comen 

tote bider riviere tere stede.

Daer ghinc die vos ende hi ontdede

ene duere, stont in die aerde,

ende hiet Waleweine oft hi begerde

die joncfrouwe te hebbene: ‘Torde in!’

‘Mi dinct dat ic verraden bin,’

sprac Walewein, ‘van ju, geselle!’

‘So moetic varen in die helle,

here, oft ic ju verrade!

Het ware mi lachter ende scade,

an jou staet al mijn toeverlaet.

Ende dit merct wel ende verstaet:

wi moeten gaen dor dese duwiere,

sullen wi liden dese riviere,

die ghi heden so saget blaken.

Hare ne mach gheen man ghenaken

no liden, here, en si bi liste.

Ic wane noit man en wiste

den wech die ic ju sal leden;

wildi mi volgen, eer wi sceden –

maer wi moeten gaen onder daerde.’

Walewein, die sere begerde

die joncfrouwe te siene, hi tart naer

ende seinde hem, want hi hadde vaer

datten die vos verraden wilde.

Doe tart in die rudder milde.

Die vos namene bi den ghere

ende seide: ‘Laet ons gaen, here,

stoutelike – ic sal gaen vore.’

Stappans so looc die dore

als siere binnen waren bevaen.

Al ware een man up die dore gestaen

ende sochtse met al den liste

die hi conste ende die hi wiste,

soen vonde hi niet die stede

daerwaert dat die dore ondede –

so behendelike waest ghewracht.

Diese maecte was wel bedacht,

hoe dat hise hebben wilde.

Dus ghinc der Walewein, die milde,

onder die aerde, ende sijn gheselle,

daert donker was als in die helle.

Heer Walewein zei: ‘Moge God je aanzien schenken,

Roges, beste vriend – dit weet ik wel:

nu wordt al mijn treurnis blijdschap,

als het waar is wat je me zegt.’

De vos zei: ‘Kom, laten we gaan!

als u me durft volgen, dan zal ik u leiden

tot vóór het kasteel, voordat we uiteengaan,

en u zal de prachtige vesting zien.

Wanneer u daar bent, doe dan uw best.

Was ik er toe in staat, ik zou u verder helpen.’

Toen verliet heer Walewein

de tuin en volgde de vos.

Gringolet lieten ze daar achter.

De vos sloot de tuin af

en zei: ‘Volg me nu, dappere ridder,

naar waar ik ga! Weet maar zeker

dat u er niets bij zal verliezen –

als het in mijn macht ligt, zal het u tot voordeel zijn.’

Toen gingen ze beiden

tot aan een plaats bij de rivier.

Daar ging de vos een valdeur

openen, die op de bodem lag,

en beval Walewein, als hij de jonkvrouw

wilde hebben: ‘Ga daar binnen!’

‘Ik denk dat ik verraden ben’,

sprak Walewein, ‘door jou, mijn vriend!’

‘Ik moet wel naar de hel gaan,

heer, als ik u verraad!

Het zou mij schande en schade brengen,

in u stel ik al mijn vertrouwen.

En let wel en luister goed:

wij moeten door deze onderaardse gang gaan,

als wij deze rivier willen oversteken,

die u vandaag zo zag ontvlammen.

Geen mens kan haar aanraken

of oversteken, heer, tenzij met een list.

Ik denk dat geen mens de weg

kende, waarlangs ik u zal leiden;

wees zo goed me te volgen, tot we uiteengaan –

maar onder de grond moeten we gaan.’

Walewein, die er zeer naar verlangde

de jonkvrouw te zien, kwam naderbij

en kruiste zich, want hij vreesde

dat de vos hem wilde verraden.

Toen ging de edele ridder binnen.

De vos trok hem bij de zoom van zijn wapenrok

en zei: ’Laten we moedig binnengaan,

heer – ik zal vooroplopen.’

Onmiddellijk nadat ze waren binnengegaan,

viel de valdeur dicht.

Al zou een man op de deur gestaan hebben

en had hij ze afgezocht met al de scherpzinnigheid

waartoe hij in staat was en die hij in zich had,

hij zou niet de plek gevonden hebben

waar de deur zich opende,

zo knap was ze gemaakt.

Wie ze maakte, heeft goed overdacht

hoe hij ze hebben wilde.

Zo ging de dappere Walewein

samen met zijn vriend onder de grond,

waar het zo donker was als in de hel.