facebookglueinstagramlinkedinpinteresttwitter
Kies je taal:

Oeroeg
Hella S. Haasse


1948, proza
Oeroeg 256053A

Oeroerg is de inlandse jeugdvriend van de blanke verteller van dit verhaal. Het verhaal speelt zich af in Nederlands Indië, in de jaren voor en net na de Tweede Wereldoorlog. De intieme geschiedenis van een verbroken vriendschap en de algemene geschiedenis over de afloop van het koloniale tijdperk worden verweven in een fijnzinnige novelle die in 1948 verscheen als het debuut van Hella S. Haasse.

De naamloze ik-verteller is de zoon van de administrateur van een theeplantage. Als enig kind is hij zeer gehecht aan zijn speelmaatje Oeroeg, een dessajongen die een bevoorrechte plaats in de huishouding krijgt nadat zijn vader in een bergmeer is verdronken toen hij de ik-verteller probeerde te redden. De jongens verkennen samen de wereld. Het lijkt een heerlijke kindertijd, maar de scheve verhouding tussen blanke meesters en inlandse ondergeschikten bederft ook de onschuld van hun vriendschap. Het paradijselijke landschap is even ondoorgrondelijk als de donkere blikken van Oeroeg en beklemmend als de bedrieglijke spiegelingen van het bergmeer.

In de pubertijd, wanneer de vrienden de theeplantage verlaten om naar de middelbare school te gaan (de ene naar een blanke school, de andere naar een gekleurde), verzet de ik-verteller zich tegen hun scheiding. Maar door het verschil in sociale en raciale status lijkt de verwijdering onvermijdelijk.

Oeroeg zal na vruchteloze pogingen om zich bij zijn halfbloed schoolmakkers aan te sluiten, zijn zelfrespect hervinden in het erkennen van zijn oorsprong en de strijd voor een onafhankelijk Indonesië. De ik-figuur kan of wil zijn vriend niet begrijpen en vertrekt naar Nederland voor verdere studie. Wanneer hij na de Tweede Wereldoorlog terugkeert met de Nederlandse troepen die de opstand in Indonesië moeten neerslaan, wordt hij gedurende een patrouille bij het bergmeer verrast door een vrijheidsstrijder die op Oeroeg lijkt en die hem het land ontzegt.

De ik-verteller is vertwijfeld: ‘Ben ik voorgoed een vreemde in het land van mijn geboorte, op de grond vanwaar ik niet verplant wil zijn?’ De slotzin van het boek is berustend, maar ook vervuld van een stille hoop: ‘De tijd zal het leren.’

Oeroeg is in een notendop wat de Nederlands-Indische letterkunde zo bijzonder maakt: de beschrijving van een wonderlijke natuur en een fascinerende cultuur, en van de confrontatie met de ander, zo na en toch zo vreemd. Oeroeg roept herinneringen op aan De stille kracht van Louis Couperus en Het land van herkomst van Eduard du Perron. De novelle leeft dan weer door in De tienduizend dingen van Maria Dermout, en Haasse heeft er met De heren van de thee later zelf nog een bijzondere roman aan toegevoegd.

Oeroeg was meteen een succes. Het boek werd herhaaldelijk herdrukt en is ook verfilmd. De kritiek dat het een te fraaie beschrijving is van het koloniale tijdperk en dat de ik-verteller zich aan de harde werkelijkheid onttrekt – kortom dat het verhaal niet politiek correct is – vervalt door de subtiele beschrijving van de intermenselijke relaties en de gehechtheid aan Indonesië, dat ook het geboorteland was van Hella Haasse. Ze groeide er op tussen de mensen die ze in Oeroeg gestalte heeft gegeven. De vele schakeringen in de menselijke relaties en de invloed van een historisch tijdperk op hun leven is exemplarisch voor haar literaire werk.

Oeroeg is ook actueel en van belang voor onze tijd van migratie en mondialisering, die aanleiding geven tot misverstand en strijd. Met de emotionele intelligentie die haar eigen was, heeft Hella S. Haasse het conflict tussen eigen en vreemd genuanceerd beschreven en tot een mooi verhaal verwerkt.

Oeroeg

Hella S. Haasse

Haasse

Hella S. Haasse (Batavia (Jakarta), 1918 – Amsterdam, 2011) werd geboren als dochter van een koloniaal ambtenaar in Nederlands-Indië en een concertpianiste. Ze bracht zo goed als haar hele jeugd door in Nederlands-Indië. In 1938 vestigde ze zich definitief in Nederland. Ze begon een studie in de Scandinavische taal- en letterkunde maar brak die af om vanaf 1940 naar de toneelschool te gaan. Daar studeerde ze in 1943 af waarna ze slechts zeer kort actief was in het toneel. Na de oorlog zou Haasse zich uitsluitend aan het schrijverschap wijden.

De herinneringen aan haar geboorteland, met zijn overweldigende natuur, spelen een centrale rol in het literaire werk van Haasse. Haar prozadebuut Oeroeg (1948) leverde haar onmiddellijk een plaats op in de literatuurgeschiedenis, maar ook met romans als De scharlaken stad (1952), De ingewijden (1957), Heren van de thee (1992) en Sleuteloog (2002) kende ze veel succes. Ze schreef ook historische romans, waarvan Het woud der verwachting (1949) wellicht de bekendste is.

Naast proza schreef Haasse ook toneel, zoals Een draad in het donker (1963) en poëzie. In 1939 was ze gedebuteerd met enkele gedichten, die in 1945 met nieuw werk verschenen in de bundel Stroomversnelling. Ze schreef ook essays en liedjesteksten.

Haasses werk werd vaak bekroond, onder meer met de Constantijn Huygensprijs (1981), de P. C. Hooftprijs (1984) en de Prijs der Nederlandse letteren (2004). Ze was erelid van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde (KANTL) en van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde en ontving eredoctoraten in Utrecht en Leuven. Haar werk geniet ook in het buitenland waardering en is in verschillende talen vertaald. In Frankrijk, waar nagenoeg al haar werk in vertaling verscheen, werd ze opgenomen in de ‘Ordre de la Légion d’Honneur’, de hoogst mogelijke onderscheiding.