Gruuthuseliedboek


ca. 1400, liederen
Gruuthuseliedboek

Hoewel lyriek in de middeleeuwen meestal gezongen werd, krijgen we voor het Nederlands pas omstreeks 1400, met het Brugse Gruuthuseliedboek, voor het eerst muziek te zien. Geen noten weliswaar, maar ogenschijnlijk simpele streepjes op een sleutelloze notenbalk, los boven de tekst. Musicologen en musici hebben er tot op de dag van vandaag een zware dobber aan.

Het Gruuthuseliedboek is niet alleen bijzonder omdat het onze oudste bron is van Nederlandstalige muziek. Veel van deze liederen getuigen ook van een adembenemende literaire virtuositeit. Veelal vertrekken ze van vormen die toen vooral de Franse lyriek domineerden: de ballade (bestaande uit drie strofen die eindigden op een éénregelig refrein) of het rondeel (met een begin-, midden- en eindrefrein). Maar in het Gruuthuseliedboek wordt met die vormen zeer vrij omgesprongen: soms lopen ze in elkaar over of krijgen ze indrukwekkende proporties.

Meer nog bekoren deze liederen door de oorspronkelijke en zelfs eigenzinnige – maar wellicht juist daarom voor ons herkenbare – wijze waarop traditionele thema’s worden uitgewerkt. Meestal is dat de liefde. De echo’s van de hoofse minnelyriek die sinds de twaalfde eeuw vanuit het zuiden van Frankrijk bijna heel West-Europa veroverd had, klinken er duidelijk in door. Het accent ligt echter niet langer op de dienst van een onderdanige minnaar ten aanzien van een ongenaakbare dame, maar op wederzijdse trouw.

Veel liederen schijnen naar het echte leven buiten de tekst te verwijzen. Dat lijkt bijvoorbeeld het geval met de nieuwjaars- of meiliederen die jonge mannen voor hun geliefde konden zingen of als geschenk konden overhandigen. Hetzelfde is denkbaar voor de acrostichonliederen, waarin de naam van een geliefde verscholen zit: Marie, Mergriete, Maie, Lauwerette enzovoort. Eén lied is opgedragen aan een zekere Liegaert, vermoedelijk niet toevallig ook de naam van de echtgenote van de dichter Jan van Hulst, die zijn eigen naam in twee teksten elders in het handschrift heeft verwerkt. Dat gebeurde weliswaar elders in het Gruuthusehandschrift, dat méér teksten bevat dan het liedboek.

Of de liederen uit dit boek nu door Jan Moritoen, Jan van Hulst of nog een (of meer) andere auteur(s) zijn geschreven, hun toon en sfeer is erg divers. Behalve de ernstige minneliederen komen in het liedboek immers ook komische liederen voor. Die spelen zich meestal in lagere milieus af en geven een veel minder hoogstaand beeld van de liefde. Verder bevat de collectie onder meer drink-, dans- en dialoogliederen, afscheidsliederen en ook Marialiederen. Het bekendst zijn echter de liederen waarvan de thematiek het verst van de rest van het liedboek afwijkt: het spottende en oorlogszuchtige Kerelslied, en uiteraard de Egidiusliederen, twee onsterfelijke klachten over een gestorven vriend.

Hoe het handschrift na 1461 terechtkwam in de beroemde maar grotendeels Franstalige bibliotheek van de schatrijke Lodewijk van Gruuthuse (1422(?)-1492), aan wie het zijn naam ontleent, is onduidelijk. Het manuscript is eeuwenlang in privébezit gebleven, totdat op 14 februari 2007 bleek dat het aan de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag was verkocht.

Meer weten?

 
Over het handschrift:
  • Jos Koldeweij, Inge Geysen & Eva Tahon (red.), Hoofsheid en devotie. Het Gruuthusehandschrift: kunst en cultuur omstreeks 1400. Antwerpen: Ludion, 2013.
  • Frank Willaert (red.), Het Gruuthuse-handschrift in woord en klank. Nieuwe inzichten, nieuwe vragen. KANTL-colloquium 30 november 2007. Gent: Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 2010.
  • Frank Willaert, Jos Koldeweij & Johan Oosterman (red.), Het Gruuthusehandschrift. Literatuur, muziek, devotie rond 1400. Internationaal congres Brugge 25-27 april 2013. Gent: Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 2015.
 
Te beluisteren: 

Te bekijken:

 
 
In 1981 stelde het Brugse Gruuthuse Museum zo'n 120 originele perkamenten handschriften tentoon uit de twaalfde tot de zestiende eeuw. Veruit de meeste aandacht ging naar het Gruuthuse-handschrft.
Gruuthuseliedboek - Daniel

In 1966 lanceerde de filoloog Klaas Heeroma de geruchtmakende hypothese dat alle liederen in het Gruuthuseliedboek de neerslag zouden zijn van het bewogen liefdesleven van één dichter: Jan Moritoen. Van deze Jan Moritoen (ca. 1355/60-1418), die inderdaad in het handschrift (maar buiten het liedboek) wordt genoemd, weten we dat hij een te Brugge geboren rijke bontwerker van Schotse afkomst was. Hij doorliep een steile carrière die hem uiteindelijk een plaats in de stadsraad en zelfs een schepenambt opleverde. Niets lijkt echter op enige literaire activiteit van Moritoen te wijzen.
 
Recent is de ster van Jan van Hulst (ca. 1360-na 1433) veel hoger gaan rijzen. Zijn profiel beantwoordt veel beter aan dat van een briljant dichter. Hij was niet alleen stadsambtenaar, maar ook een succesrijk organisator van feestelijkheden, boekverluchter, zanger, lid van vooraanstaande broederschappen en zeer waarschijnlijk ook een van de oprichters van De Heilige Geest, de eerste Brugse rederijkerskamer (in 1429).
 
Sommigen sluiten zelfs niet uit dat Van Hulst de virtuoze dichter van alle teksten in het volledige handschrift zou kunnen zijn: niet alleen van de 147 liederen, maar ook van de 7 gebeden op rijm en de 16 gedichten elders in het handschrift. Die zijn veel minder bekend maar eveneens van een uitzonderlijk hoog niveau.