Kies je taal:

Beatrijs


voor 1374, Marialegende, poëzie

BRON:

Beatrijs. Een middeleeuws Maria-mirakel. Vertaald door Willem Wilmink, met een inleiding en een teksteditie door Theo Meder. Amsterdam: Uitgeverij Prometheus/ Bert Bakker, 1995, verzen 328-396 en 433-482.

De vertaling werd speciaal voor dit canonproject gemaakt door Frank Willaert.


Eerste fragment:

Beatrijs heeft na een laatste gebed haar pij, haar schoenen en haar sleutels bij het Mariabeeld in het koor achtergelaten, is in haar hemd naar haar minnaar op de afgesproken plaats in de boomgaard gelopen, en door hem met kostbare gewaden, kousen, schoenen en sluiers weer aangekleed; hij zet haar voor zich op zijn paard en trekt met haar de wereld in.

(Wanneer sprake is van 'Absalon' bedoelt men de derde zoon van koning David, beroemd om zijn schoonheid.)

Dus quamen si den telt ghevaren

smorgens aen een foreest,

daer die voghele hadden feest.

Si maecten soe groet ghescal,

datment hoerde over al.

Elc sanc na der naturen sine.

Daer stonden scone bloemkine

op dat groene velt ontploken,

die scone waren ende suete roken.

Die locht was claer ende scone.

Daer stonden vele rechte bome,

die ghelovert waren rike.

Die jonghelinc sach op die suverlike,

daer hi ghestade minne toe droech.

Hi seide: ‘Lief, waert u ghevoech,

wi souden beeten ende bloemen lesen.

Het dunct mi hier scone wesen.

Laet ons spelen der minnen spel.’

‘Wat segdi,’ sprac si, ‘dorper fel,

soudic beeten op tfelt,

ghelijc enen wive die wint ghelt

dorperlijc met haren lichame?

Seker soe haddic cleine scame.

Dit en ware u niet ghesciet,

waerdi van dorpers aerde niet!

Ic mach mi bedinken onsochte.

Godsat hebdi diet sochte!

Swighet meer deser talen

ende hoert die voghele inden dalen,

hoe si singhen ende hem vervroyen,

die tijt sal u te min vernoyen,

Alsic bi u ben al naect

op een bedde wel ghemaect,

soe doet al dat u ghenoecht

ende dat uwer herten voeght.

Ic hebs in mijn herte toren,

dat ghijt mi heden leit te voren.’


Hi seide: ‘Lief, en belghet u niet.

Het dede Venus diet mi riet.

God gheve mi scande ende plaghe,

ochtic u emmermeer ghewaghe.’

Si seide: ‘Ic vergheeft u dan.

Ghi sijt mijn troest voer alle man,

die leven onder den trone.

Al levede Absolon die scone

ende ic des wel seker ware

met hem te levene M jare

In weelden ende in rusten,

In liets mi niet ghecusten.

Lief, ic hebbe u soe vercoren.

Men mocht mi dat niet legghen voren,

dat ic uwes soude vergheten.

Waric in hemelrike gheseten

ende ghi hier in ertrike,

Ic quame tot u sekerlike.

Ay God, latet onghewroken

dat ic dullijc hebbe ghesproken.

Die minste bliscap in hemelrike

en es hier ghere vrouden ghelike:

Daer es die minste soe volmaect,

datter zielen niet en smaect

dan Gode te minnen sonder inde.

Al erdsche dinc es ellinde:

si en doeghet niet een haer

jeghen die minste die es daer.

Diere om pinen die sijn vroet.

Al eest dat ic dolen moet

ende mi te groeten sonden keren

dore u, lieve scone jonchere.’

Zo kwamen ze ’s morgens in draf

bij een woud,

waar de vogels vrolijk waren.

Ze kwetterden zo luid

dat men het overal kon horen.

Elk zong naar zijn aard.

Bevallige bloempjes stonden,

helemaal ontloken, op het groene veld;

ze waren mooi en roken heerlijk.

De hemel was helder en klaar.

Er stonden veel hoge bomen,

vol in blad.

De jongen keek naar het mooie meisje,

dat hij trouw liefhad.

Hij zei: ‘Lief, als je zou willen,

dan kunnen we afstijgen en bloemen plukken.

Ik vind het hier mooi.

Laten we het liefdesspel spelen.’

'Wat zeg je,' sprak ze, ‘lompe boer,

moet ik gaan liggen op het veld

als een vrouw die op een ordinaire wijze

geld met haar lichaam verdient.

Dan zou ik wel over weinig fatsoen beschikken.

Dit zou je niet overkomen zijn,

als je niet het karakter van een boerenkinkel had.

Ik begin er al flink spijt van te krijgen.

Moge God je haten voor die vraag.

Zwijg verder maar over dit onderwerp

en luister naar de vogels in de dalen,

hoe ze zingen en vrolijk zijn,

dan zal de tijd je minder lang lijken.

Als ik helemaal naakt naast jou lig,

op een mooi opgemaakt bed,

doe dan al wat je begeert

en wat je hart verlangt.

Ik ben er verontwaardigd over

dat je mij dit vandaag voorstelde.’

 

Hij zei: ‘Lief, wees niet boos,

Het was Venus die me dit ingaf.

God moge me schande en rampspoed toezenden,

als ik er bij jou ooit nog over begin.’

Ze zei: ‘Dan schenk ik je vergiffenis.

Je bent mijn toeverlaat boven alle mannen,

die er onder de hemel leven.

Al leefde de mooie Absalon

en was ik er zeker van

dat ik duizend jaar met hem

in weelde en rust zou kunnen leven,

ik zou er geen genoegen in scheppen.

Lief, ik hou zoveel van je,

dat men mij niet zou kunnen verwijten

dat ik jou zou vergeten.

Als ik in de hemel zou zijn,

en jij hier op aarde,

ik zou zeker naar je toe komen.

Ach God, laat het ongewroken

dat ik een dwaze uitspraak heb gedaan.

De geringste vreugde in de hemel

is met geen enkele vreugde hier te vergelijken.

De geringste vreugde daar is zo volmaakt

dat de ziel in niets anders genoegen vindt

dan God eindeloos te beminnen.

Al het aardse is ellendig:

het is geen zier waard

vergeleken met het geringste daar.

Wie de hemel nastreven, zijn wijs.

Al moet ik dolen

en me in zware zonden begeven

omwille van jou, lieve knappe jonkheer.’


Tweede fragment

Na zeven jaar is het geld op, is er hongersnood in het land en heeft de man Beatrijs en haar twee kinderen verlaten.

Si sprac: ‘Hets mi comen soe,

dat ic duchte spade ende vroe.

Ic ben in vele doghens bleven.

Die ghene heeft mi begheven,

daer ic mi trouwen toe verliet.

Maria, Vrouwe, oft ghi ghebiet,

bidt vore mi ende mine II jonghere,

dat wi niet en sterven van honghere.

Wat salic doen, elendech wijf.

Ic moet beide ziele ende lijf

bevlecken met sondeghen daden.

Maria, Vrouwe, staet mi in staden.

Al constic enen roc spinnen,

in mochter niet met winnen

in tween weken een broet.

Ic moet gaen dorden noet

buten der stat op tfelt

ende winnen met minen lichame ghelt,

daer ic met mach copen spise.

In mach in ghere wise

mijn kinder niet begheven.’

Dus ghinc si in een sondech leven,

want men seit ons over waer,

dat si langhe seven jaer

ghemene wijf ter werelt ghinc

ende meneghe sonde ontfinc

– dat haer was wel onbequame –

die se dede metten lichame,

daer si cleine ghenuechte hadde in.

Al dede sijt om een cranc ghewin,

daer si hare kinder met onthelt.

Wat holpt al vertelt,

die scamelike sonden ende die zwaer

daer si in was XIIII jaer?

Maer emmer en lietsi achter niet,

hadsi rouwe oft verdriet,

sine las alle daghe met trouwen

die seven ghetiden van onser Vrouwen.

Die las si haer te loven ende teren,

dat sise moeste bekeren

uten sondeliken daden,

daer si was met beladen

bi ghetale XIIII jaer.

Dat segghic u over waer.

Si was seven jaer metten man,

die II kindere an hare wan,

diese liet in ellinde,

daer si doghede groet meswinde.

Die leste VII jaer hebdi gehoert.

Verstaet hoe si levede voert.

Ze sprak: ‘Mij is overkomen

wat ik altijd gevreesd heb.

Ik ben in diepe ellende beland.

Hij, in wie ik mijn vertrouwen had gesteld,

heeft me verlaten.

Maria, Vrouwe, als u wilt,

bid voor mij en mijn twee kinderen,

dat wij niet van honger sterven.

Wat zal ik doen, rampzalige vrouw?

Ik moet mijn lichaam en mijn ziel

met zondige daden besmeuren.

Maria, Vrouwe, kom me te hulp.

Al kon ik met een spinrokken werken,

ik zou er in twee weken tijd

niet één brood mee verdienen

Ik moet noodgedwongen gaan

naar ’t open veld buiten de stad

en met mijn lichaam geld verdienen,

waarmee ik eten kan kopen.

Ik mag op geen enkele wijze

mijn kinderen in de steek laten.’

Zo ging ze over naar een zondig leven,

want men zegt ons naar waarheid

dat zij zeven jaar lang

als een publieke vrouw ‘in het leven’ was

en in zware zonden leefde

– wat ze vreselijk vond –

die ze met haar lichaam bedreef,

waar ze geen genoegen aan beleefde.

Alles deed zij voor een karige verdienste,

waar zij haar kinderen mee onderhield.

Wat zou het voor zin hebben

alle schandelijke en zware zonden te vertellen,

waar ze veertien jaar in leefde?

Maar nooit verzuimde ze,

al had ze zoveel smart of verdriet, 

elke dag trouw             

de zeven getijden van Onze Lieve Vrouw te bidden.

Die bad ze om haar te loven en te eren,

en opdat ze haar zou afbrengen

van de zonden,

waar ze mee belast was,

veertien jaren lang.

Dat zeg ik u naar waarheid.

Zij was zeven jaar met de man,

die twee kinderen bij haar kreeg,

en die haar in de ellende achterliet,

waarin ze veel tegenspoed ondervond.

De volgende zeven jaren hebt u nu gehoord.

Luister nu hoe haar leven verder ging.