facebookglueinstagramlinkedinpinteresttwitter
Kies je taal:

Gedichten van den Heere Pieter C. Hooft
P.C. Hooft


1636, poëzie
Hooft

Lijvig en fraai was de uitgave van Hoofts Gedichten in 1636 beslist geworden. Jacob van der Burgh - zelf dichter maar ook vertrouweling van Huygens en Hooft - stelde Hooft in zijn inleiding bij deze gedichten voor als de meest getalenteerde literator: in zijn werk kunnen de lezers ‘vry wat meer pits als in anderen […] vinden’.

Hooft gold als het ‘hooft der Poëten’ (1615), of zoals zijn vroegste biograaf Brandt het verwoordde (1671):

Wie Hooft hier poogt te steeken naar de kroon,
Die vliegt op ’t spoor van Dedaals dwaazen zoon.
 
Om verschillende redenen vond Van der Burgh de uitgave hoognodig: ‘Het meerendeel van deze werken waeren by zijn E: [Hooft] de vergetelheidt al opgeoffert, ’t en waere ikze met smeeken hadde uit den brand gehouden’. Hooft zelf was in die jaren vooral aan het werk als historieschrijver, maar op aandringen van Van der Burgh en Brosterhuizen had hij ‘eenige weeken’ vrijgemaakt, om zijn ‘jeughlijcke rijmen bij een te raepen’ (Hooft aan Baak, 1633).

De term Gedichten dient voor deze uitgave breed te worden geïnterpreteerd, met zeer diverse afdelingen: toneelspelen, liefdesemblemen, sonnetten en liederen, naast ‘Verscheyde gedichten’, ‘bruyloft-dichten’ en psalmberijmingen. Genres die nu als bi- of multimediaal gelden, werden in deze druk vooral om hun literaire gehalte gewaardeerd, of zoals een drukker het met betrekking tot Hoofts toneelspel Achilles en Polyxena (1614) aangaf: om de ‘overgroote vloeyentheyt vande Poëtsche dichten’. Literaire kunstigheid en het beroeren van het gemoed vormen de kern:

zoo kunstigh heeft de dichter […] de rechte toonen, daer onze gemoeden van geraekt werden, weten uit te boezemen, en met zulke fraeyigheid op te pronken, datze alle de bewegingen van onze innerlijkste gedachten bemaghtigen.

De bundeling was bestemd voor de ‘tedere hartjens daer het minnen zoo op vat’, voor wie ‘met rijper ooghen, op een toonneel, de drift van der menschen hertstoghten […] wil aenschouwen’ of ‘zijn ziel met Bibelstoffe […] onderhouden’.

Overeenkomstig de normen in 1636 zou Hooft zijn jeugdrijmen uitziften of ‘verschrijven’. Een verzameld oeuvre is de uitgave van 1636 niet geworden, wel een strenge selectie en correctie op taal- en verstechnisch vlak: alleen ‘echte kinderen en die hy daer voor houdt’ werden opgenomen.

Om dit nieuwe literaire kapitaal kon de toenmalige dichtersgemeenschap niet heen. De correcties betroffen ook de liederen. In 1623 had Hooft met Huygens gediscussieerd over de vraag of in een lied het muziek- en het woordaccent wel of niet met elkaar moesten overeenstemmen. Hooft, anders dan Huygens, vond een strak aangehouden metrum niet nodig. De melodie was een ‘deuntjen’: de tekst ontwikkelde zich met metrische vrijheid ‘op t gelejde der ooren’. Later zou Hooft zijn visie scherper afstemmen op Huygens’ opvattingen. Bij de voorbereiding van de uitgave in 1636 vertrouwde hij op Van der Burgh en Brosterhuizen als ‘de bequaemste in ’t landt om de liedekens op zangmaet te stellen’ (Hooft aan Baak, 1633).

De bundel Gedichten werd dus vooral een taal- en dichtkunstwerk. Van der Burgh had Huygens zelfs gevraagd zijn ‘oog eens te laten gaen over de rimen’. Op Huygens’ aanwijzen bepleitte Van der Burgh dat alleen Hoofts eigen verzen uit diens emblemen werden opgenomen, zonder gravures en zonder de Latijnse en Franse verzen; deze deden alleen maar afbreuk ‘aen so geestig een werck’ (Van den Burgh aan Hooft, 1634). Hooft ging er niet op in. Zijn eigen verzoek om de ‘Reien’ uit de toneelspelen en de liederen van gedrukt muziekschrift te voorzien, heeft het evenmin gehaald. Uit de gedachtewisseling blijkt in elk geval de pregnante betekenis van de term Gedichten in 1636.

De editie van 1636 vormt de basis voor de latere uitgaven in druk. Vanaf de negentiende eeuw zouden het beeld van de dichter en de beschikbaarheid en het onderzoek van zijn dichtwerk echter vooral worden bepaald door Hoofts handschriftelijke versies, die alle ruimte leken te bieden voor een autobiografische inbedding van het oeuvre.

De persoonlijke toon van Hoofts lyriek binnen het gangbare repertoire van de Europese liefdeslyriek leek er bij uitstek mee te kunnen worden aangescherpt. Hoofts vorm- en beeldentaal wordt dan ook nog altijd erg goed ontvangen. Niet zijn toneel, maar wel zijn gedichten, de liederen en de ‘deuntjes’ (ook uit de periode vóór 1636) worden nog altijd erg gesmaakt.

Meer weten?

  • De druk van Hoofts Gedichten (Amsterdam, 1636) werd integraal gereproduceerd in facsimile in Pieter Corneliszoon Hooft Alle de gedrukte werken, 1611-1738 onder redactie van W. Hellinga en P. Tuynman (Amsterdam: University Press Amsterdam, 1972), deel 3.
  • De meest recente leesuitgave van Hoofts lyriek (d.i. diens niet-dramatische poëzie) en met muzieknotatie bij de liederen is P.C. Hooft, De gedichten. Verzorgd en uitgegeven door Johan Koppenol en Ton van Strien. Muzikale redactie en toelichting: Natascha Veldhorst (Amsterdam: Athenaeum - Polak & Van Gennep, 2012). Bij deze uitgave hoort een CD met de uitvoering van 21 liedteksten.
  • De editie door Koppenol en Van Strien brengt de teksten in herspelling en met summiere annotaties en steunt voor de teksten op de studie-editie P.C. Hooft. Lyrische poëzie. Nieuwe tekstuitgave door P. Tuynman bezorgd door G.P. van der Stroom met filologisch apparaat (Amsterdam: Athenaeum - Polak & Van Gennep, 1994). In eerste instantie baseren beide edities zich op de bewaard gebleven handschriften.
  • Voor een editie van brieven aan en van Hooft: H.W. van Tricht, De briefwisseling van Pieter Corneliszoon Hooft. 3 delen. (Culemborg: Tjeenk Willink / Noorduijn, Culemborg, 1972-1979).
  • Over de editie van Hoofts Gedichten in 1636 in het licht van de overgang van gebruiksteksten naar leesteksten; zie vooral M. Spies, ‘Zoals de ouden zongen, lazen de jongen. Over de overgang van zang- naar leescultuur in de eerste helft van de zeventiende eeuw’, in: W. van den Berg en H. Stouten (red.), Het woord aan de lezer. Zeven literatuurhistorische verkenningen. (Groningen: Wolters-Noordhoff, 1987), p. 89-109.
  • Over de aangehaalde sonnetten; zie vooral: M. Polkowski, Images for a Lover’s Eye. Sonnets from Pieter Corneliszoon Hooft’s Emblemata amatoria and their European Lineage (Lublin: Wydawnictwo KUL, 2009), M.B. Smits-Veldt, ‘Hoofts “Nijdige tijt”; spel en strijd met de klok’, in: P.E.L. Verkuyl (ed.), Uyt Liefde geschreven. Studies over Hooft. (Groningen: Wolters-Noordhoff, 1981), p. 73-87, en P. Claes, Lyriek van de Lage Landen. De canon in tachtig gedichten (Amsterdam: De Bezige Bij, 2008), p. 130-131.
Pchooft

P.C. Hooft

Hooft

Pieter Corneliszoon Hooft (Amsterdam, 1581 – Den Haag, 1647) groeide op in een invloedrijke familie. Zijn vader was een succesvolle handelaar die opklom in de Amsterdamse politiek en burgemeester werd. Op jonge leeftijd reisde Hooft door Frankrijk, Duitsland en Italië, waar hij verbleef in Rome, Venetië en Florence. Tijdens zijn reizen deed hij niet alleen de ervaring op om net als zijn vader overzees handelaar te worden, maar raakte hij ook geïnspireerd door de klassieke en renaissancistische cultuur en literatuur uit Frankrijk en Italië.

Hooft was een veelzijdig auteur. Zijn gebundelde gedichten (Gedichten van den heere P.C. Hooft) zijn zeer bekend, alsook zijn Emblemata amatoria (1611). Hij was naast dichter ook een meesterlijk toneelschrijver. Historische drama’s als Geeraerdt van Velsen (1613), herdersspelen als Granida (1615) en blijspelen als Warenar (1617, samen met Samuel Coster) maken alle deel uit van zijn repertoire. Daarnaast had hij een bijzondere interesse voor taalkunde – wat blijkt uit zijn Waernemingen op de Hollandsche tael (1638) – en geschiedenis, wat zich uitte in zijn 27-delige Nederlandsche Historien (1642-1647).

Hooft speelde een belangrijke rol in het cultuurleven van zijn tijd. Hij omringde zich met andere literatoren, eerst in de Amsterdamse rederijkerskamer d’Eglentier en later in de Nederduytsche Academie. Vanaf zijn tweede huwelijk in 1627 ontving hij ’s zomers literaire en culturele figuren en geleerden op het Muiderslot, van waar hij een aantal officiële functies uitoefende. Met gasten als Constantijn Huygens, Joost van den Vondel en Gerardus Vossius debatteerde hij over literatuur, politiek, taal en geschiedenis. Deze jaarlijkse verzameling van intellectuelen werd in de negentiende eeuw de ‘Muiderkring’ genoemd.

Al tijdens zijn leven werd Hooft erkend als het ‘hoofd der Nederlandse poëten’, en de erkenning duurt tot op vandaag. Sinds enkele decennia is er een hernieuwde belangstelling voor zijn werken en in Nederland werd in 1947 een prijs naar hem vernoemd die vandaag een van de belangrijkste literaire prijzen is in ons taalgebied.