facebookglueinstagramlinkedinpinteresttwitter
Kies je taal:

Het levend monogram
Ida Gerhardt


1955, poëzie
Gerhardt

Ik heb dit donkere boek geschreven,
want God heeft het mij opgelegd.

Zo begint het gedicht 'Aan allen', dat als een intro vooraan staat in Het levend monogram. Het zegt veel over de bundel en over het werk van Ida Gerhardt. Over het dichterschap mag niet lichtzinnig gesproken worden: het is niet (zoals voor Ed. du Perron) een 'tijdverdrijf voor enkele fijne luiden'. Het is een roeping en een opdracht.

De regels die hierop volgen vervolledigen het beeld: de ‘ik’ van deze gedichten houdt meer van de natuur en van de stilte dan van de mensen. Haar verzen getuigen compromisloos van een liefdeloze kindertijd, en het leven is slechts een doorgangsfase, op weg naar God.

Ik - vriend van stilte, dier en plant,
schreef naar zijn wil, met grijze haren,
de gruwelen van mijn kinderjaren
op deze doortocht naar zijn land.

Prettig en opbeurend is dat allemaal niet. Ook de talrijke verwijzingen naar de klassieke oudheid en het gebruik van motieven en beelden uit de christelijke traditie kunnen op het eerste gezicht de argeloze lezer afschrikken.

Volgens Anneke Reitsma (in Ons Erfdeel) vonden de meeste critici bij het overlijden van Ida Gerhardt in 1997 zelfs dat haar hele oeuvre klaar was om bijgezet te worden 'in de eregalerij van een voorbije canon, die eerder in de 19e dan in de 20e eeuw gesitueerd moet worden'. Het is anders gelopen: het jaar na haar dood verschenen haar Verzamelde gedichten. Die kenden in 2014 hun 13de druk, terwijl intussen ook de bloemlezing uit haar werk (die Gerrit Komrij in 2001 samenstelde) een succes was.

Niet enkel de ernst, de diepgang en de geestelijke rijkdom van haar werk zijn verantwoordelijk voor die blijvende belangstelling. Die is vooral te danken aan de taalkracht ervan. Vooral in de eerste reeks van de bundel ('In memoriam matris') staan gedichten die de lezer confronteren met de felste en soms gruwelijkste emoties. Maar zij doen dat zonder enig sentiment, bijna constaterend, in een kale, nevenschikkende stijl, hard en meedogenloos. Juist die afwezigheid van stilistische versierselen, de concentratie op de essentie, de beheersing van de angsten en de gruwel door de tucht van de vorm, maakt haar poëzie aangrijpend. In de volgende reeksen zorgt de christelijke en mythologische inbedding ervoor dat het persoonlijke, autobiografische van de eerste reeks een algemeen menselijke dimensie krijgt.

Hoe diep de gedichten uit Het levend monogram ook wortelen in de persoonlijke levensgeschiedenis van de dichteres, zij gaan in wezen over ons. In zijn essaybundel Aan mijn voormalig vaderland (2010) verwoordde Michaël Zeeman het bijzonder treffend:

"Het beroemdste gedicht dat Ida Gerhardt over haar moeder heeft geschreven is het 'Sonnet voor mijn moeder'. In een land waar een andere cultuur van omgang met de poëzie zou heersen, zou ieder schoolkind verplicht worden het uit zijn hoofd te leren: het zou een ordening en een remedie zijn, het zou later veel gezeur tijdens late avondjes of op RIAGG's [= Regionale Instelling voor Ambulante Geestelijke Gezondheidszorg] voorkomen. 'Gij hebt, moeder, dit leven zwaar gedragen. / Gelijk ik het zwaar draag. Wij zijn verwant."

Levendmonogram

Ida Gerhardt

Gerhardt

Tijdens haar schooltijd in Rotterdam kreeg Ida M. Gerhardt (Gorinchem, 1905 – Warnsveld, 1997) les van de dichter J.H. Leopold, die in haar de liefde voor klassieke talen en poëzie aanwakkerde. Gerhardt volgde in zekere zin in zijn voetsporen. Als lerares klassieke talen vertaalde ze werk van klassieke auteurs, en ze promoveerde in 1942 op een vertaling van De natura rerum (Over de natuur der dingen), een beroemd leerdicht van de klassieke Romeinse auteur Lucretius, die schreef vóór het begin van onze tijdrekening.

Vanaf 1956 woonde Gerhardt samen met haar vriendin Marie van der Zeijde, die ook als dichteres en vertaalster actief was. Ze brachten veel tijd door in Ierland, waar ze een afgezonderd bestaan leidden. Samen bezorgden ze een gewaardeerde vertaling van de psalmen. Gerhardt zou echter vooral vanwege haar werk als dichteres bekendheid verwerven.

Naar het voorbeeld van Leopold schreef Gerhardt poëzie in de traditie van het symbolisme, een stroming die op dat moment eigenlijk al gedateerd was. Zeker in haar vroege werk speelt de natuur een hoofdrol. Het levend monogram (1955) is misschien haar bekendste bundel, maar ook haar debuut Kosmos (1940) en andere bundels zoals De slechtvalk (1966), Het sterreschip (1979) en De adelaarsvarens (1988) oogstten lof. Gerhardt voelde zich op jonge leeftijd onbegrepen en weinig gewaardeerd door haar ouders, en verwerkte die persoonlijke levenservaring in haar werk.

De waardering voor de poëzie van Gerhardt kwam traag op gang. Toch kreeg ze drie keer de Poëzieprijs van de gemeente Amsterdam en in 1968 de Martinus Nijhoff-prijs voor de vertaling uit het Latijn van Vergilius' Georgica, eeen leerdicht over de landbouw. In de jaren zeventig en tachtig kreeg haar werk meer aandacht en ontving ze verschillende prijzen, waaronder de Prijs voor Meesterschap van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde (1979) en de P.C. Hooftprijs (1979).

Context