Walewein
Penninc en Pieter Vostaert


midden 13de eeuw, ridderroman
Walewein

Net als zovele andere ridderverhalen begint de Roman van Walewein met een hofdag, waarop koning Artur zijn ridders heeft samengeroepen. Na de maaltijd komt een kostbaar schaakbord de burchtzaal binnengezweefd, maar niemand van de nochtans zo gereputeerde ridders waagt het om erop te spelen.

Wanneer het bord weer door een van de vensters verdwijnt, roept Artur zijn ridders driemaal op om er achteraan te gaan. Tevergeefs. Pas wanneer de koning plechtig bevestigt dat degene die hem het bord brengt zijn koninkrijk zal erven, neemt Walewein, de voortreffelijkste van Arturs ridders, de uitdaging op zich.

Met deze openingsscène is de toon gezet, maar die toon zal in de volgende 11.000 verzen onophoudelijk blijven variëren: van het heroïsche naar het ironische, van het voorbeeldige naar het bedenkelijke en terug. Zeker, Walewein is een voortreffelijk ridder: hij verslaat draken en roofridders, verdedigt gemaltraiteerde jonkvrouwen, geeft verslagen tegenstanders een tweede kans, leent zelfs zijn trouwe paard Gringolet aan een jonge knaap die van het zijne is beroofd, dient een boze ridder de laatste sacramenten toe en geeft hem een christelijk graf… En ook wast hij, steeds weer, zijn handen na het eten.

Maar tegelijk laat hij zijn wapens en zijn paard stelen door een vos, durft hij – anders dan Lancelot in andere romans – de zwaardbrug niet over, valt hij in slaap zodat zijn geliefde wordt ontvoerd, deelt hij haar wel heel laat mee dat hij haar in opdracht van een ander uit haar vaders rijk heeft weggehaald, en heeft hij er blijkbaar geen problemen mee dat ze aan het eind van het verhaal weer braaf naar huis gaat.

Een mengeling van ridderlijk-hoofs idealisme en burleske situaties maakt deze roman moeilijk grijpbaar, en daardoor juist zo bijzonder. Wanneer Walewein het versterkte kasteel van koning Assentijn binnendringt, verslaat hij in zijn eentje zoveel tegenstanders dat die denken dat er een heel leger voor hun poorten staat. In opperste verwarring gaan ze – zoals in hedendaagse stripverhalen – in het nachtelijke duister ook elkaar te lijf. De tot over haar oren verliefde Ysabele weet van haar vader te bekomen dat ze toegang tot de kerker krijgt, zogezegd om de gevangen Walewein eens flink te martelen, maar eigenlijk om met volle teugen van de liefde te proeven. En hoe lieftallig ze ook mag lijken, blijkbaar kon ze geen beter middel bedenken om een tunnel geheim te houden dan door de architect te laten verdrinken, zoals ze ook zonder haar ogen te knipperen Walewein aanspoort het hoofd af te hakken van een ridder die weerloos op de grond ligt.

Penninc en Vostaert hebben een werk afgeleverd dat de conventies van de Arturroman zowel bevestigt als ondergraaft. Ze hebben daarbij op creatieve wijze gebruik gemaakt van een weids arsenaal thema’s en motieven die uit tal van genres afkomstig zijn. Het grondplan van de roman en ook het motief van de betoverde vos die als helper optreedt, moeten ze uit de orale traditie hebben gehaald. Er is in ieder geval een nauwe verwantschap met het sprookje van de gouden vogel, dat – veel later uiteraard – door de gebroeders Grimm is opgetekend: een jonge held kan een gouden vogel slechts bemachtigen als hij hem kan ruilen voor een kostbaar paard dat op zijn beurt geruild moet worden voor een wondermooie prinses.

Zo kan ook Walewein het schaakbord slechts bemachtigen in ruil voor het zwaard met de twee ringen, en dat zwaard dan weer slechts in ruil voor de onovertroffen Ysabele. Maar de auteurs hebben ook gebruik gemaakt van motieven uit de Franse en de Nederlandse Arturliteratuur, de Tristanstof, de Bijbel, de brief van de legendarische priester-koning Johannes, de op Ierse verhalen teruggaande visioenenliteratuur, de dierenepiek enzovoort.

Met al die ingrediënten hebben ze een roman samengesteld die op een speelse wijze de paradoxen van het leven belicht en die als een echte rollercoaster de lezer tot het einde in spanning houdt.

 

Meer weten?

Edities:
  • De jeeste van Walewein en het schaakbord van Penninc en Pieter Vostaert. Artur-epos uit het begin van de 13e eeuw, uitgegeven, verklaard en ingeleid door G.A. van Es, 2 delen (Zwolse drukken en herdrukken voor de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden). Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1957.
  • Dutch Romances. Volume I: Roman van Walewein, edited by David F. Johnson & Geert H.M. Claassens (Arthurian Archives, 6). Cambridge: D.S. Brewer, 2000.
  • Penninc und Pieter Vostaert, Roman van Walewein, herausgegeben und übersetzt von Johan H. Winkelman & Gerhard Wolf (Bibliothek mittelniederländischer Literatur, 5). Münster: agenda Verlag, 2010.
 
Achtergrondliteratuur:
  • Bart Besamusca & Erik Kooper (red.), Originality and Tradition in the Middle Dutch Roman van Walewein (Arthurian Literature, 17). Cambridge: D.S. Brewer, 1999.
  • Veerle Uyttersprot, ‘Entie hoofsche Walewein, sijn gheselle was daer ne ghein’. Ironie en het Walewein-beeld in de Roman van Walewein en in de Europese middeleeuwse Arturliteratuur (proefschrift KU Brussel 2004).
 
Te beluisteren:
Video:
  • Wereldschatten: Boekhistoricus Erik Kwakkel over het veertiende eeuwse handschrift (UBLeiden)
Walewein - Daniel

Penninc en Pieter Vostaert

De roman van Walewein werd geschreven in het graafschap Vlaanderen. Dat gebeurde vermoedelijk omstreeks het midden van de dertiende eeuw.
 
In de epiloog worden twee auteurs genoemd. Penninc en Pieter Vostaert. De eerstgenoemde is de auteur van het grootste deel van het werk: ca. 7.880 van de 11.198 verzen. Vostaert schrijft in de epiloog dat hij de roman heeft afgewerkt, omdat een dichter maar weinig eer inlegt met een onvoltooid werk. Hij vermeldt ook dat hij het werk heeft voortgezet na die wort die hi van Penninge vant bescreven. Daarbij is het onduidelijk of na die wort opgevat moet worden als ‘volgens’ de woorden – de notities dus – die Penninc had achtergelaten, of gewoon ‘na’ de woorden, de verzen die Penninc al geschreven had.
 
Wie Penninc en Pieter Vostaert waren, is niet bekend. Zeer waarschijnlijk zijn hun namen als pseudoniemen te beschouwen.
 
De naam Penninc is vermoedelijk als een toespeling op geld te beschouwen, maar hoe die moet worden opgevat – krap bij kas? of juist: rijk? – is onduidelijk. In ieder geval moet hij goede scholing hebben genoten en was hij vertrouwd met religieuze en hoofse gebruiken. De naam Vostaert – ongetwijfeld eveneens een pseudoniem – is al even mysterieus. Gaat het om een toespeling op het feit dat hij het eind van de roman geschreven heeft? Is er een verband met de vos, die een belangrijke rol speelt in de roman?
Is de verwijzing naar de (sluwe) vos een speelse verwijzing naar het listige verbergen van zijn echte naam. Een definitief antwoord valt hier niet te geven.

context