facebookglueinstagramlinkedinpinteresttwitter
Kies je taal:

Het leven en de dood in de ast
Stijn Streuvels


1926, proza
Streuvels Cover

Vijfenvijftig jaar is Streuvels wanneer hij in 1926 Het leven en de dood in de ast publiceert. Zijn grote creatieve periode, waarin hij De vlaschaard (1907) en andere bekende romans schreef, ligt dan al een tijdje achter de rug. Maar met deze novelle schreef Streuvels een van de mooiste korte verhalen uit de Nederlandse literatuur.

Dit verhaal speelt zich niet af op de weidse akkers die Streuvels zo vaak beschreef, maar in de beslotenheid van een ‘eest’ (of ‘ast’), de plaats waar chicoreiwortels worden gedroogd. Terwijl de jonge boer met zijn twee jongste arbeiders naar het dorp getrokken is om er plezier te maken, praten en dromen drie achterblijvers in de ast over al hun wensen die door de harde leefomstandigheden nooit in vervulling zijn gegaan. Het zijn de drie oudere werkers van de avond- en de nachtploeg: de bejaarde Blomme, de opperdroger Hutsebolle en de sukkel Fliepo.

De landloper Knorre komt in de eest terecht en sterft er in zijn slaap. De drie arbeiders realiseren zich dat hij de vrijheid bezat om zijn eigen gang te gaan en van zijn leven te genieten, terwijl zij in hun slavenwerk alleen maar hun dromen achterna kunnen lopen. Knorres dood dwingt hen tot een gewetensonderzoek.

Streuvels bouwt zijn verhaal meesterlijk op en beantwoordt daarbij aan de eenheid van tijd, plaats en handeling uit het klassieke theater. De eest is dan ook een toneel voor het menselijke bedrijf. De auteur onderstreept dat reeds vanaf het begin: ‘De schuur met de dubbele poortluiken breed open, gelijkt een toneel waar, in de gapende diepte, door haveloze mannen, in haastig tempo, een spel wordt opgevoerd.’

Doorheen het verhaal worden de personages zich bewust van de essentie van het menselijk bestaan, dat wordt gekenmerkt door eenzaamheid en vergankelijkheid, verlangen en desillusie, onrecht en armoede, noodlot en tekort. Als een spiegel van deze comédie humaine fungeert een magistraal intermezzo met het uitbundig spel van de muizen en de dodelijke tussenkomst van de uil: een toneel in het toneel én een allegorie voor het spel dat het noodlot met de mens speelt.

Betekenisvol is het motto dat Streuvels zijn novelle meegeeft: ‘Maar ik ben een worm en geen mens, / door iedereen versmaad, bij het volk veracht’ (Psalm 22.7). De novelle getuigt van een groot medegevoel met de werkmens, die in het bewustzijn van zijn nietigheid en ondergeschiktheid tot inzicht komt. Dat weten doet hem lijden en teruggrijpen naar het verleden of dromen en denken over wat komen kan. De ast is als de grens tussen leven en dood, een plaats waar de mens zich bewust wordt van verleden en heden, maar ook van het nu en het later, én van zijn verantwoordelijkheid voor wat hij doet.

Het verhaal baadt in een magisch-realistische sfeer die versterkt wordt door het spel van contrasten tussen binnen en buiten, licht en donker, werk en plezier, bezinning en genot, droom en werkelijkheid. En door het gebruik van de inwendige monoloog, want daar echt over praten met elkaar kunnen zij niet:

Als achter een gesloten wand zullen ze elk hun ondervinding verdoken houden, met zich omdragen.´t Geen zij in gesprek er over loslaten, zijn enkel de oppervlakkige beschouwingen en nietsbetekenende bijzonderheden; van ´t geen in de diepere lagen van hun onderbewustzijn begraven ligt, kunnen ze elkander niets mededelen…

Meer weten?

In de rubriek 'Passage' in De Morgen van 23 november 2016 lezen we hoezeer Marc Didden onder de indruk is van Het leven en de dood in den ast.


Levenendoodindenast

Stijn Streuvels

Streuvels

Stijn Streuvels (Heule, 1871 – Ingooigem, 1969) werd geboren als Frank Lateur in een West-Vlaams gezin van ambachtslieden. Ondanks het feit dat Guido Gezelle zijn oom was, leek voor hem in eerste instantie geen carrière in de letteren weggelegd. Hij leerde het beroep van bakker en leek voorbestemd om de ouderlijke zaak over te nemen. Vanaf de late jaren tachtig interesseerde hij zich echter steeds meer voor literatuur. Zijn eerste eigen werk verscheen in kleine Vlaamse tijdschriften, maar al snel vond hij de weg naar belangrijke bladen, waaronder Van nu en straks. Zijn groeiende succes zette hem ertoe aan definitief van zijn pen te gaan leven. In 1905 vestigde hij zich in een villa in Ingooigem (het Lijsternest), waar hij tot aan zijn dood zou wonen.

De vlaschaard (1907), Het leven en de dood in den ast (1926) en De teleurgang van den Waterhoek (1927) zijn drie van zijn bekendste romans, maar zijn oeuvre is erg omvangrijk. Hij publiceerde zo goed als elk jaar een nieuw boek en schreef ook verhalen, autobiografisch werk en zelfs toneel. Het dagboek dat hij tijdens de Eerste Wereldoorlog bijhield (In oorlogstijd) wordt ook vandaag nog gelezen. Naast zijn werk als auteur was hij actief als vertaler, onder meer uit het Duits en het Frans.

Streuvels wordt gezien als een vertegenwoordiger van het naturalisme, omdat het noodlot een centraal thema vormt in zijn werk. De meeste van zijn verhalen spelen zich af in het West-Vlaanderen waar hij woonde, en gaan over simpele (land)arbeiders en hun dagelijkse (over)leven in voor- en tegenspoed. Zijn werk vormde een belangrijke inspiratiebron voor auteurs als Felix Timmermans en Ernest Claes.

Stijn Streuvels werd al tijdens zijn leven sterk gewaardeerd als schrijver, ontving diverse prijzen en was lid van belangrijke literaire en wetenschappelijke genootschappen. Zijn werk werd veelvuldig vertaald en zijn belangrijkste romans werden verfilmd. Zijn villa in Ingooigem werd na de dood van zijn weduwe in 1977 ingericht als museum en verblijf voor schrijvers. 

Context