Dichtertje, De Uitvreter, Titaantjes
Nescio


1918, proza
Dichtertje, De Uitvreter, Titaantjes

Het verzameld werk van Nescio is nog minder omvangrijk dan dat van zijn Vlaamse leeftijdsgenoot Willem Elsschot, met wie hij erg veel gemeen heeft. Zijn novellen De uitvreter (1911) en Titaantjes (1915) verschenen pas in 1918 in boekvorm, voorafgegaan door Dichtertje.

De verhalen van Nescio zijn ontroerend en eigenlijk tragisch van inhoud, maar ze worden bijna lichtvoetig en ‘kwansuis’ verteld. Ze handelen over enkele jonge vrienden die onherroepelijk op weg zijn naar volwassenheid en burgerdom. Uit de groep springen twee figuren naar voren: de schilder Bavink en Koekebakker, de ik-figuur.

De uitvreter begint met de onvergetelijke zin: ‘Behalve den man, die de Sarphatistraat de mooiste plek van Europa vond, heb ik nooit een wonderlijker kerel gekend dan den uitvreter’. De naam van die ‘uitvreter’ was Japi. Op de vraag van Bavink of hij ook schildert, antwoordt Japi ‘Nee, Goddank, (…) en ik dicht ook niet en ik ben geen natuurvriend en geen anarchist. Ik ben Goddank helemaal niks.’ Japi komt dan maar bij Bavink en Koekebakker eten en drinken en slapen, en verdwijnt dan weer en komt terug… Het bohémienleven van de jonge vrienden, nog voor de gruwelen van de Eerste Wereldoorlog, wordt erg beeldend verteld, doorspekt met ironie en humor.

In Titaantjes wordt de toon al wat somberder, en het heimwee naar ‘vroeger’ is soms pijnlijk tastbaar:

Het was een wonderlijke tijd. Als ik er even over nadenk, dan moet die tijd nog voortduren, die duurt zolang er jongens van 19, 20 jaar rondlopen. Maar voor ons is hij lang voorbij.

 

De tijd dat de illusie nog (even) bestond dat ‘wij er nog heel wat van terecht zouden brengen’ is onherroepelijk voorbij. Want ondertussen leiden ze een burgerbestaan, als klerk, als ‘gezel’ van een rijke weduwe, of voor de minst fortuinlijke als uitgebuite arbeider in de gasfabriek, of nog triester: ‘Bavink heeft ’t tegen die Godverdomde dingen afgelegd’ en eindigt in een ‘gesticht voor zenuwpatiënten’. De slotparagraaf is wrang, maar tegelijk poëtisch en troostend:

Nieuwe Titaantjes zijn al weer bezig kleine rotsblokjes op te stapelen om ‘m van z’n verhevenheid te storten en dan de wereld eens naar hun zin in te richten. Hij lacht maar en denkt: ‘Goed zoo jongens, zoo mal als je bent, ben je toch me liever dan die mooie wijze heeren. ’t Spijt me dat je je nek moet breken en dat ik die heeren moet laten gedijen, maar ik ben ook God maar.’

 

Dichtertje is een grimmig verhaal, los van de voorgaande. Het is tijdens WO I geschreven, en het klinkt dan ook onheilspellend: ‘Sedert dertig jaar hield de God van Nederland niet van dichters’. En dat blijkt. Dichtertje is getrouwd met de goede Coba, de moeder van zijn dochtertje, die de manuscripten van haar man braaf overschrijft. Als zij toch een beetje ongerust wordt wanneer die verhalen erotisch en opstandig worden, ontlokt dat haar man de onsterfelijke woorden: ‘Ze moet toch den auteur weten te onderscheiden van meneer Nescio’. Maar dichtertje pleegt de ultieme opstand tegen god en fatsoen en gaat er uiteindelijk aan ten onder.

Het werk van Nescio is een kleinood dat zijn glans niet heeft verloren. Je staat er van versteld dat deze teksten (bijna) een eeuw geleden zijn geschreven, want zowel de thematiek als de taal zijn ontstellend fris en actueel. Nescio blijft nog altijd een heerlijke ontdekking.

Dichtertje, De Uitvreter, Titaantjes - Daniel

Nescio

Nescio
Jan Hendrik Frederik Grönloh, zo luidde de naam op de identiteitskaart van de Nederlandse schrijver die we als Nescio (1882-1961) kennen. Zijn pseudoniem betekent ‘ik weet niet’.
 
Erg veel biografische details over Nescio kennen we niet. Hij volgde een opleiding aan de Openbare Handelsschool en belandde bij de Holland-Bombay Trading Company, waar hij het tot directeur schopte. Met een aantal vrienden probeerde hij intussen een kolonie op te starten, maar dat utopische project (dat de naam Tames kreeg) mislukte.
 
Nescio was gefascineerd door de natuur. Die komt bijgevolg vaak in zijn werk voor, en betekende voor hemzelf een toevluchtsoord om rust te vinden. Desondanks was hij vaak overspannen, waardoor hij in het ziekenhuis belandde en moest aftreden als directeur van de Trading Company.
 
Nescio’s proza wordt gekenmerkt door een ironische toon, een eenvoudig taalgebruik en een autobiografische inslag. Zijn drie bekendste novellen werden samen uitgegeven: Dichtertje, De Uitvreter, Titaantjes (1918). Veel groter is zijn oeuvre eigenlijk niet. Zelf gaf hij nog één novelle uit: Mene tekel (1946).
 
Enkele jaren later kreeg hij een beroerte, waardoor schrijven bijna onmogelijk werd. Op initiatief van zijn vrouw en enkele naasten verscheen vlak voor zijn dood nog Boven het dal en andere verhalen (1961), een keuze uit zijn ongepubliceerde verhalen. Werken als De X geboden (1971) en Natuurdagboek (1996) werden postuum gepubliceerd.
 
Tijdens zijn leven werd Nescio’s talent nauwelijks erkend. Het was pas toen schrijvers als Gerard Reve en Gerrit Komrij in zijn voetsporen traden, dat de waarde van zijn werk echt duidelijk werd.

context