Het leven en de dood in de ast
Stijn Streuvels


1926, proza
Het leven en de dood in de ast

Vijfenvijftig jaar is Streuvels wanneer hij in 1926 Het leven en de dood in de ast publiceert. Zijn grote creatieve periode, waarin hij De vlaschaard (1907) en andere bekende romans schreef, ligt dan al een tijdje achter de rug. Maar met deze novelle schreef Streuvels een van de mooiste korte verhalen uit de Nederlandse literatuur.

Dit verhaal speelt zich niet af op de weidse akkers die Streuvels zo vaak beschreef, maar in de beslotenheid van een ‘eest’ (of ‘ast’), de plaats waar chicoreiwortels worden gedroogd. Terwijl de jonge boer met zijn twee jongste arbeiders naar het dorp getrokken is om er plezier te maken, praten en dromen drie achterblijvers in de ast over al hun wensen die door de harde leefomstandigheden nooit in vervulling zijn gegaan. Het zijn de drie oudere werkers van de avond- en de nachtploeg: de bejaarde Blomme, de opperdroger Hutsebolle en de sukkel Fliepo.

De landloper Knorre komt in de eest terecht en sterft er in zijn slaap. De drie arbeiders realiseren zich dat hij de vrijheid bezat om zijn eigen gang te gaan en van zijn leven te genieten, terwijl zij in hun slavenwerk alleen maar hun dromen achterna kunnen lopen. Knorres dood dwingt hen tot een gewetensonderzoek.

Streuvels bouwt zijn verhaal meesterlijk op en beantwoordt daarbij aan de eenheid van tijd, plaats en handeling uit het klassieke theater. De eest is dan ook een toneel voor het menselijke bedrijf. De auteur onderstreept dat reeds vanaf het begin: ‘De schuur met de dubbele poortluiken breed open, gelijkt een toneel waar, in de gapende diepte, door haveloze mannen, in haastig tempo, een spel wordt opgevoerd.’

Doorheen het verhaal worden de personages zich bewust van de essentie van het menselijk bestaan, dat wordt gekenmerkt door eenzaamheid en vergankelijkheid, verlangen en desillusie, onrecht en armoede, noodlot en tekort. Als een spiegel van deze comédie humaine fungeert een magistraal intermezzo met het uitbundig spel van de muizen en de dodelijke tussenkomst van de uil: een toneel in het toneel én een allegorie voor het spel dat het noodlot met de mens speelt.

Betekenisvol is het motto dat Streuvels zijn novelle meegeeft: ‘Maar ik ben een worm en geen mens, / door iedereen versmaad, bij het volk veracht’ (Psalm 22.7). De novelle getuigt van een groot medegevoel met de werkmens, die in het bewustzijn van zijn nietigheid en ondergeschiktheid tot inzicht komt. Dat weten doet hem lijden en teruggrijpen naar het verleden of dromen en denken over wat komen kan. De ast is als de grens tussen leven en dood, een plaats waar de mens zich bewust wordt van verleden en heden, maar ook van het nu en het later, én van zijn verantwoordelijkheid voor wat hij doet.

Het verhaal baadt in een magisch-realistische sfeer die versterkt wordt door het spel van contrasten tussen binnen en buiten, licht en donker, werk en plezier, bezinning en genot, droom en werkelijkheid. En door het gebruik van de inwendige monoloog, want daar echt over praten met elkaar kunnen zij niet:

Als achter een gesloten wand zullen ze elk hun ondervinding verdoken houden, met zich omdragen.´t Geen zij in gesprek er over loslaten, zijn enkel de oppervlakkige beschouwingen en nietsbetekenende bijzonderheden; van ´t geen in de diepere lagen van hun onderbewustzijn begraven ligt, kunnen ze elkander niets mededelen…

 

Meer weten?

In de rubriek 'Passage' in De Morgen van 23 november 2016 lezen we hoezeer Marc Didden onder de indruk is van Het leven en de dood in den ast.

Het leven en de dood in de ast - Daniel

Stijn Streuvels

Stijn Streuvels
Stijn Streuvels (1871-1969) was het pseudoniem van Frank Lateur. Guido Gezelle was zijn oom.
 
Omdat de jonge Lateur op school allerminst uitblonk, leerde hij de stiel van banketbakker. Toen ze bij het tijdschrift Van Nu en Straks echter zijn literaire talent ontdekten en hij in Amsterdam een uitgever vond, besloot hij van zijn pen te gaan leven.
 
Streuvels wordt een vertegenwoordiger van het naturalisme genoemd. Het noodlot vormt inderdaad vaak een centraal thema in zijn werk en de onstuimige West-Vlaamse natuur tekent zijn personages. Zijn werk vertoont ook invloeden uit de romantiek.
 
De vlaschaard (1907), Het leven en de dood in de ast (1926) en De teleurgang van de Waterhoek (1927) zijn drie van zijn bekendste romans, maar zijn oeuvre is erg omvangrijk. Hij schreef ook verhalen, autobiografische werken en zelfs toneel. Tijdens de Eerste Wereldoorlog hield hij bovendien een dagboek bij dat vandaag nog veel weerklank vindt. Tussendoor vertaalde hij verscheidene werken, o.m. uit het Duits en het Frans.
 
Stijn Streuvels kreeg erg veel erkenning. Hij ontving veel literaire prijzen, waaronder enkele Staatsprijzen en de Prijs der Nederlandse Letteren (1962). Hij kreeg ook heel wat eretitels en was lid van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde en erelid van de Maatschappij der Nederlandse Letteren. Zijn werk werd veelvuldig vertaald en sommige van zijn romans werden verfilmd.

context

ontdek

  • Boekvoorstelling: AST, een artistiek literatuurproject

    In het kader van de heruitgave van Streuvels' Het Leven en de dood in den ast nodigen de…

    Lees verder
  • Bezoek het Lijsternest met de nieuwe ‘Prutske-app’

    Via de nieuwe Prutske-app en tablettoer ontdek je het huis waar Stijn Streuvels heeft…

    Lees verder
  • Streuvels zoeken in de bib

    Ga vanaf 15 juni in de Openbare bibliotheek op zoek naar de boeken van Stijn Streuvels en…

    Lees verder