Parken en woestijnen
Vasalis


1940, poëzie
Parken en woestijnen

De gedichten van Vasalis winden er geen doekjes om: we zijn ten dode opgeschreven. Het is natuurlijk geen groot nieuws dat we sterfelijk zijn, maar de manier waarop Vasalis het formuleert, doet er ons op een nieuwe manier over nadenken.

In het bekende gedicht ‘Tijd’ beschrijft ze een droom waarin zij langzamer leefde dan de oudste steen. Vanuit dat perspectief ziet zij de afwisseling van dag en nacht als een constante flikkering en de getijden als een haastig zwellen en slinken. Kortom: door helemaal uit te zoomen en haast stilstaand het verstrijken van de tijd waar te nemen, beseft ze tegelijk het wanhopig-wrede daarvan en de nietigheid van de mens. ‘Hoe moet ik dat weer ooit vergeten?’, vraagt de dichter zich af.

In het gedicht ‘De krekels’ beschrijft ze een soortgelijke ervaring: de illusie van uit de tijd te kunnen stappen wordt bruusk verstoord:

Ondanks de schijn van eeuwigheid
in enkle stille ogenblikken
hoor ik voortaan een fijn, schor tikken,
word ik geschonden door het weten:
ook dit wordt langzaam opgesleten.

Die laatste regel is een schrijnende samenvatting van het leven: een langzaam opslijten. Vasalis’ aandacht voor het thema van de sterfelijkheid brengt onder meer met zich mee dat ze een voorliefde lijkt te hebben voor de herfst en de avond. Toch is deze debuutbundel van Vasalis – met maar 21 gedichten – zeker geen droevige bundel. Zoals ze in haar gedichten graag de stijlfiguur van de paradox gebruikte (‘ik voelde me bedroefd en goed’), is ook de sfeer in deze bundel paradoxaal. De herfstige stemming gaat immers samen met een voortdurend ontsnappen daaraan, hetzij door een soort dromerigheid, hetzij door een wilde uitbarsting van levensvreugde. Niet onverwachts kan de lente als tegengif dienen voor de herfststemming:

Ik had vergeten hoe het was
en dat de lente niet stil bloeien,
zacht dromen is, maar hevig groeien,
schoon en hartstochtelijk beginnen,
opspringen uit een diepe slaap,
wegdansen zonder te bezinnen.
 
Die hartstocht viel ook meteen op bij de critici, die de bundel in 1940 erg enthousiast ontvingen. Ze ontdekten een dichter die alles intens beleeft, zowel de tragiek als de levensvreugde. Dat het bovendien een vrouw bleek te zijn die zo hartstochtelijk schreef, deed extra stof opwaaien.

Ook bij de gewone lezers is Vasalis al decennialang een populaire dichteres, die heel wat ‘klassiekers’ op haar naam heeft, zoals het gedicht ‘De idioot in het bad’. Dat gedicht gaat niet enkel over een zwakzinnige man die zijn zorgen vergeet wanneer hij een bad neemt, maar ook over ieder van ons, die af en toe gelukkig kan zijn wanneer hij of zij vergeet dat hij een bange idioot is in stijve, harde kleren.

Anekdotische voorvallen (een onweer, een busrit, een fanfare die langskomt) vormen bij Vasalis vaak de aanleiding om een gedicht te schrijven. Vertrekkend vanuit de eigen ervaring, toont ze de lezer hoe in elke gebeurtenis een diepere laag kan aangeboord worden, hoe elk detail ons iets kan vertellen over wat er achter de tastbare werkelijkheid schuilgaat. Het is aantrekkelijk voor een hedendaagse lezer dat die spirituele dimensie niet religieus gekaderd wordt: Vasalis heeft het niet over God. Vooral de natuur maakt in haar een spiritualiteit wakker. Het oevergras waardoor laag de zon schijnt, het ‘wit gezicht der stille maan’, een ziedend onweer waardoor zij gelouterd wordt.

De poëzie van Vasalis lijkt niet te verouderen. Misschien dan toch een kleine triomf tegen de onverbiddelijke tijd?

 

Meer weten?

Geluidsfragmenten en meer vind je op de site van het Literatuurmuseum

Parken en woestijnen - Daniel

Vasalis

Vasalis
Bij de keuze van haar pseudoniem bedacht de Haagse schrijfster Margaretha Droogleever Fortuyn-Leenmans (1909-1998) een Latijnse variant voor (het laatste deel van) haar naam: (M.) Vasalis.
 
Omdat ze haar leven en werk graag van elkaar gescheiden hield, zijn er maar weinig biografische details over haar bekend. Ze studeerde in Leiden eerst medicijnen en vervolgens antropologie, en specialiseerde zich in de psychiatrie en de neurologie. Vanaf de jaren 1950 werkte ze als kinderpsychiater.
 
Als schrijfster debuteerde Vasalis met de novelle Onweer (1940). Op enkele essays na schreef ze daarna alleen nog poëzie. Parken en woestijnen (1940) was meteen een groot succes. Later volgden nog drie bundels: De vogel Phoenix (1947), Vergezichten en gezichten (1954) en De oude kustlijn (postuum uitgegeven in 2002). In haar gedichten probeerde Vasalis in de chaotische werkelijkheid een samenhang te vinden. Dankzij hun herkenbaarheid krijgen ze een universeel karakter.
 
Ondanks zijn beperkte omvang werd haar oeuvre veelvuldig bekroond. Vasalis kreeg onder meer de Constantijn Huygensprijs en de P.C. Hooftprijs.

context