Kies je taal:

Minneliederen
Hendrik van Veldeke


1170 < > 1190, Minneliederen, poëzie
Veldeke Cover Minneliederen

Met een dertigtal minneliederen die op naam van Hendrik van Veldeke overgeleverd zijn, begint, vermoedelijk ergens tussen 1170 en 1190, de geschiedenis van de Nederlandse lyriek. Hoewel… Nederlands?


Veldekes liederen zijn uitsluitend overgeleverd in drie Hoogduitse handschriften die een eeuw of zelfs meer dan een eeuw jonger zijn. Toch schemert Veldekes Maaslandse tongval onmiskenbaar door het Duits van die handschriften heen.

Het standbeeld van Hendrik Van Veldeke op het Van Veldekeplein te Hasselt. (E. Helde, 1928)

Een heel ander werk, maar net als zijn Servas (1170/1180) in paarsgewijs rijmende verzen, was zijn Eneasroman, een bewerking van de Franse Roman d’Eneas (1160), die zelf op de Aeneis van Vergilius was gebaseerd. Veldekes Eneasroman kende een vrij tumultueuze ontstaansgeschiedenis: het werk was voor vier vijfde af, zo staat in de epiloog te lezen, toen zijn manuscript hem werd ontstolen, nadat hij het aan de gravin van Kleef ter inzage had gegeven. Pas negen jaar later, in of na 1184, werd het handschrift hem door paltsgraaf Herman van Thüringen terugbezorgd, die hem vroeg om het af te maken.

Veldekes Servas is in het Maaslands overgeleverd, zijn Eneasroman daarentegen uitsluitend in het Hoogduits. Toch heeft hij beide werken op zo’n wijze berijmd dat ze zonder al te veel moeite, het heiligenleven van het Maaslands in het Hoogduits, de Eneas – omgekeerd – van het Hoogduits in het Maaslands, konden worden omgezet. Veldeke lijkt dus met beide werken zowel een Maaslands als een Hoogduits publiek op het oog te hebben gehad. De hele regio tussen Schelde en Rijn maakte in de middeleeuwen deel uit van het Duitse rijk, en we moeten het werk van Veldeke dan ook in die context begrijpen. Zijn opdrachtgevers – de gravin van Loon, de kanunniken van de Servatiuskerk en de paltsgraaf van Thüringen – stonden allen in nauw contact met keizer Frederik Barbarossa († 1190) en diens zoon en opvolger Hendrik VI († 1196).

Frederik Barbarossa met zijn twee zonen Hendrik en Frederik. Miniatuur uit de Welfenkroniek (Weingarten Kloster, 1179-1191)

Van de eerste Duitse minnezangers lijken velen zich in keizerlijke kringen bewogen te hebben, en het is zeer waarschijnlijk dat Veldeke sommigen onder hen persoonlijk heeft gekend. Meer dan eens citeert hij op polemische wijze uit hun liederen, wat doet vermoeden dat sommige van zijn optredens deel uitmaakten van een geraffineerd literair steekspel van hofdichters onder elkaar.

Net als zijn collega’s bezingt Veldeke de hoofse liefde, het tomeloze verlangen van een ‘ik’ naar een volmaakt mooie en volmaakt deugdzame, maar onbereikbare vrouw, wier gunst hij door zijn trouwe dienst hoopt te verwerven.

Hofmakerij in de Codex Manesse.

Hoewel… Wie aandachtig leest, merkt al vlug dat hij dit onwezenlijke liefdesideaal, dat vanuit het zuiden van Frankrijk een groot aantal West-Europese hoven had veroverd, meer dan eens op een subtiele wijze belachelijk maakt. Soms legt hij de absurditeit van het hooggestemde liefdesdiscours bloot, elders maakt hij duidelijk dat amoureuze mannen, en van tijd tot tijd ook vrouwen, in werkelijkheid uit zijn op heel wat concreter genot dan op de onzekere belofte die een onvervulde liefde kan bieden.

Klara maakte een prachtige podcast over de literaire canon. Vijftig lezers vertellen over hun favoriete canonwerk. De aflevering over de Minneliederen met auteur Elvis Peeters hoor je hier.

Op deze pagina vind je nog meer audio- en videomateriaal over de Minneliederen.

 

Achtergrondliteratuur

  • Frits van Oostrom, Stemmen op schrift. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur vanaf het begin tot 1300. Amsterdam: Uitgeverij Bert Bakker, 2006, p. 118-172.
  • Jozef D. Janssens, In de schaduw van de keizer. Hendrik van Veldeke en zijn tijd (1130-1230). Zutphen: Walburg Pers, 2007.
  • Herman Baeten (red.), Hendrik van Veldeke en zijn muziek. Neerpelt: Alamire, 2014.
 
Minneliederen

Context