Die geestelike brulocht
Jan van Ruusbroec


ca. 1343, mystieke theologie
Die geestelike brulocht

Die geestelike brulocht is het meest bekende en meest vertaalde werk van Ruusbroec en wordt algemeen als zijn meesterwerk beschouwd. Het biedt een ordelijke en harmonische beschrijving van het mystieke leven, d.w.z. een leven dat gegrepen is door Gods liefde.

De Brulocht beschrijft dit liefdesavontuur vanaf de voorbereiding tot de hoogste ontplooiing. Binnen dit geheel krijgen alle fasen van deze ontwikkeling en de risico’s eigen aan elke fase hun plaats. Verder wordt de essentie van de mystiek onderscheiden van allerlei extatische fenomenen zoals visioenen. Ook kan christelijke mystiek volgens Ruusbroec niet pantheïstisch zijn: in de hoogste eenheid met God lost de mens niet op in het goddelijke; hij behoudt zijn geschapen natuur.

Het grondpatroon werd verkregen door twee structuren te verweven: enerzijds de opdeling van een vers uit het Matteüsevangelie (in vier delen) en anderzijds de ontwikkeling van het mystieke leven (in drie fasen). Het vierdelige vers uit Matteüs luidt: Siet, / de brudegom comt; / gaet ute / hem te ontmoete. Het beschrijft de kernelementen van een ontmoeting: (1) je blik moet helder zijn; (2) dan kun je zien dat de Bruidegom Christus op je toekomt; (3) op jouw beurt word je uitgenodigd om naar hem toe te gaan; (4) deze wederzijdse benadering wordt bekroond met de ontmoeting.

Elk van de elementen krijgt zijn eigen invulling volgens de drie fasen van het mystieke leven: het werkende, het innige en het godschouwende leven. Deze drie levens zijn eigenlijk drie wijzen van steeds dieper gravende liefde. In het werkende leven beleeft men die liefde actief, in de inwendige en uitwendige deugdbeoefening en met de zuivere bedoeling om enkel en alleen Gods eer en het goed van de naaste na te streven bij alles wat men doet.

Dezelfde liefde wordt in het innige leven beleefd, door alle vermogens één te laten worden in de kern van de ziel (het wesen, de gront), waar God de mens liefdevol aanraakt, waar Hij hem heen trekt en ‘innodigt’. In het godschouwende leven wordt de mens boven zijn eigen wezen uit getild in de goddelijke Beminde. Hij heeft zichzelf als centrum van activiteit opgegeven en leeft voortaan vanuit de Andere. Elke hogere fase stoot de voorafgaande fase niet af, maar brengt ze integendeel tot haar vervolmaking. Zo leidt het innige leven niet tot het opgeven van alle activiteit, maar het zal die verfijnen; het godschouwende leven wist het intieme verkeer van het innige leven niet uit, maar maakt het nog inniger.

Ruusbroec is zeer streng voor hen die alle actieve en affectieve beleving afzweren in naam van een louter passieve, puur geestelijke mystiek. Voor hem is de volgroeide mysticus een ghemeine mensche: totaal verzonken in God is hij totaal gegeven aan de mensen.

Door de combinatie van de drie- en vierdeling is de Brulocht gestructureerd in twaalf delen die op hun beurt weer zorgvuldig zijn onderverdeeld. Zo wordt in het innige leven de zinsnede ‘de Brudegom comt’ verder ingedeeld volgens de psychologische visie van Ruusbroec in: (1) de komst in het hart (het centrum van de affectie), (2) de komst in de drie hogere vermogens (geheugen, verstand en wil), (3) de komst in het diepst van de ziel, waar de drie vermogens één zijn.

De Brulocht vertoont dus een duidelijke hoofdstructuur, maar binnen die krachtige hoofdlijnen worden steeds kleinere structuren uitgewerkt. Vandaar ook de vergelijking van dit werk met een gotische kathedraal. Men zou het ook met een spiraal kunnen vergelijken: de vier elementen van het Matteüsvers komen driemaal terug, maar dan telkens op een hoger niveau.

 

Meer weten?

Edities: 

  • Een recente, volledige uitgave van het werk in het Middelnederlands en het Engels: Guido de Baere en Thom Mertens (red.), The Complete Ruusbroec. English translation with the original Middle Dutch text. Turnhout: Brepols, 2014 (Corpus Christianorum: Scholars version). 2 dln., dl. 2: p. 75-168 (Nederlands), dl. 1: p. 147-235 (Engels).
  •  Een nagenoeg volledige uitgave in het Middelnederlands en het modern Nederlands: Jan van Ruusbroec, De verhevenheid van de geestelijke bruiloft of de innige ontmoeting met Christus. Oorspronkelijke tekst met juxta-hertaling in modern Nederlands door Lod. Moereels. Tielt: Lannoo, 1977 (Ruusbroec hertaald, 5). 
  • Een soepele vertaling in hedendaags Nederlands: Jan van Ruusbroec, De geestelijke bruiloft. Vertaald door Jos van den Hoek en ingeleid door Guido de Baere. ’s-Hertogenbosch / Mechelen: KBS, 2008.
Achtergrondliteratuur:
  • Frits van Oostrom, ‘Meester in het midden’, in: Frits van Oostrom, Wereld in woorden. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1300-1400. Amsterdam: Bert Bakker, 2013, p. 242-281
  • Paul Verdeyen, Jan van Ruusbroec. Mystiek licht uit de middeleeuwen. Leuven: Davidsfonds, 1996 (2de uitgave).
Die geestelike brulocht - Daniel

Jan van Ruusbroec

Jan van Ruusbroec
Jan van Ruusbroec (1293- 1381) was geboren te Ruisbroek (ten zuiden van Brussel), maar trok als elfjarige jongen in bij zijn priester-oom Jan Hinckaert. Die was als kapelaan aan de Sint-Goedelekerk te Brussel verbonden. Ruusbroec werd daar in 1317 tot priester gewijd. Tot 1343 zou hij als eenvoudige kapelaan dagelijks de mis opdragen in een van de kapellen van de Sint-Goedelekerk.
 
Omstreeks 1333 schreef Ruusbroec zijn eerste werk, Dat rijcke der ghelieven. Hij wou daarmee vrome, sterk mystiek bewogen Brusselse burgers spirituele leiding geven en hen behoeden voor ketterij. Toen hij vele jaren later vaststelde dat dit werk ondanks zijn uitdrukkelijke verbod toch verspreid was geraakt, voelde hij zich verplicht enkele uitspraken die verkeerd begrepen konden worden in zijn Boecsken der verclaringhe (ca. 1363) op te helderen. In zekere zin moet Ruusbroecs tweede werk, Die geestelike brulocht (ca. 1335/40) als de geslaagde reprise van zijn eersteling worden gezien.
 
Omstreeks 1343 verlieten Ruusbroec en Hinckaert Brussel. Ze kozen voor een onthecht leven in de hermitage van Groenendaal in het Zoniënwoud. Zeven jaar later nam deze kleine maar steeds aangroeiende communauteit de regel van Augustinus aan en groeide de hermitage uit tot een proosdij, waarvan Ruusbroec de eerste prior werd.
 
Tijdens die jaren werkte Ruusbroec aan een allesomvattende allegorie van Gods woontent (Exodus 24-31): Van den geesteliken tabernakel is zijn omvangrijkste en in de middeleeuwen ook meest gelezen werk. Later kwamen ook zijn traktaten Vanden seven sloten (na 1346), Een spieghel der eeuwigher salicheit (1359), Van seven trappen (1359-1362), Boecsken der verclaringhe (ca. 1363) en Vanden twaelf beghinen (ca. 1365) daar tot stand.

context

ontdek

  • Treed in de voetsporen van Ruusbroec

    Letterlijk in de voetsporen treden van Jan van Ruusbroec: het kan. In en rond Groenendaal…

    Lees verder