Verzamelde gedichten
J.C. Bloem


1965, po√ęzie
Verzamelde gedichten
Is dit genoeg: een stuk of wat gedichten,
Voor de rechtvaardiging van een bestaan,
[Uit: ‘Dichterschap’]

‘Bloem is een huilebalk die het huilen cultiveert’, zei Anneke Brassinga, de dichteres die in 2015 de P.C. Hooftprijs won. Bloem sust je met zijn poëzie in slaap, vindt ze, hij dekt het leven zachtjes toe. Niets is minder waar.

J.C. Bloem is de dichter van het verlangen: van de fundamentele onvervuldheid ervan én van de afwezigheid van het verlangen, nog erger. Hij is slechts in schijn de dichter van de berusting. Wat Bloem over de Italiaanse dichter Leopardi zei, kan ook over hemzelf worden gezegd: ‘Wie heeft er aangrijpender dan hij de bitterheid uitgesproken, die alle doekjes voor het bloeden ten spijt de kern van ieder en alle leven uitmaakt?’

Hij heeft niets nieuws gezegd, geen nieuwe vormentaal uitgevonden. Hij heeft de mislukking van elk leven, de vergankelijkheid van alles genadeloos in eenvoudige, tijdeloze woorden uitgedrukt. De paradox is dat die woorden een zekere troost lijken te brengen. Dat heeft met de feilloze vormvastheid van zijn verzen te maken. De verwoording is onontkoombaar. Iemand moest het zo zeggen. Het is voortaan gezegd. Noem dat dan maar “klassiek”.

Toen ik jong was, bestond ik in vormen
Van het leven dat komen zou:
Een vervoerend de wereld doorstormen,
Een lied en een eindlijke vrouw.

Het is bij dromen gebleven;
Ik heb wat een ander ontsteelt
Aan het immer weerbarstige leven,
Slechts als mogelijkheden verbeeld.

Bloem kreeg de literaire prijzen die ertoe doen, maar mislukte voor de rest in alles wat hij ondernam. Als hij al iets ondernam. Toch liet deze notoire luiaard meer dan duizend bladzijden kritieken, essays en aforismen achter. Zijn wereldbeeld was dat van een volbloed reactionair: ‘Iedere verandering is een verslechtering, zelfs een verbetering.’

Het interbellum ging hem al niet meer af, en uiteindelijk vond alleen de periode voor de Eerste Wereldoorlog (zijn eigen jeugd) genade in zijn ogen. Van pacifisten en ‘humanitair’ geïnspireerde kunstenaars moest hij niet weten. Zelfs als hij zich grandioos vergist, blijft het helder geformuleerd.

Als dichter beperkte Bloem zijn oeuvre op het einde van zijn leven tot  honderdeenenzestig gedichten. Daarvan zijn er zeker een dertigtal die wij niet zouden willen missen. Meer dan genoeg.

Meer weten?

In dit filmpje vertelt Luc Devoldere (hoofdredacteur van Ons Erfdeel) waarom hij zoveel houdt van het werk van J.C. Bloem.

Verzamelde gedichten - Daniel

J.C. Bloem

J.C. Bloem
Op aandringen van zijn vader studeerde Jakobus Cornelis Bloem (1887-1966) rechten in Utrecht. Na zijn studies betrok hij – mede door familiale geldproblemen – het ene baantje na het andere. Hij was onder meer griffier en redacteur bij de NRC.
 
Op vijftienjarige leeftijd wist Bloem echter al dat hij dichter zou worden. Hij was geïnspireerd door de poëzie van Jacques Perk, en met figuren als Jan Greshoff, Arthur van Schendel en Adriaan Roland Holst bouwde hij een vriendenkring op binnen de literaire wereld.
 
Als dichter leverde Bloem een belangrijke bijdrage aan de Nederlandse literatuur. Tot zijn Verzamelde gedichten (die in het jaar voor zijn overlijden verschenen) behoren o.m. de bundels Het verlangen (1921), Media vita (1931) en Quiet though sad (1946).
 
Een centraal thema in Bloems poëzie is het onvervulde verlangen, paradoxaal genoeg zowel de oorzaak als het antidotum voor de teleurstelling van het leven. Veel van zijn gedichten bevatten het motief van de dood.
Bloem recenseerde ook poëzie van zijn collega’s, en bundelde zijn Verzamelde beschouwingen (1950) over allerlei thema’s, waaronder de retoriek in poëzie. Bloem won als dichter verschillende prijzen, zoals de Constantijn Huygensprijs (1949), de P.C. Hooftprijs (1952) en de Prijs der Nederlandse Letteren (1965).

context