Verzen
Herman Gorter


1890, poëzie
Verzen

Al kort na het verschijnen van Mei (1889) veranderde Gorters poëzie: ‘ik had zelf dat onmiddellijke leven zo lief, ik had zo’n voorgevoel ook dat er in dat leven een nog veel diepere schoonheid lag, dat ik besloot te trachten poëzie te maken van de onmiddellijke realiteit – zonder de traditie van vroegere tijden.’

De bundel Verzen wordt de verklanking van Gorters ‘eigen zinnelijk-onmiddellijk gevoel’.  Lodewijk van Deyssel vond de gedichten vooral ‘sensitief’. In een brief aan die Nederlandse schrijver schreef Gorter: ‘Als Uw boeken de dagen zijn, de dagen van de daden, van den gang van het leven, deze verzen zijn de ogenblikken, de losse ogenblikken in die dagen.’ En Willem Kloos, die andere bekende tijdgenoot van Gorter, kreeg in een brief te lezen: ‘Hoor eens ouwe kerel, jij die er mee begonnen bent, oude geluidgod, je moet niet denken dat ik de ouwe geboden vergeet. Voor ik schrijf, wacht ik tot het klinkt in mijn oren, en als ik ophou is het omdat mijn oren òp zijn. Geloof dat maar al zie je me rare dingen doen. Ik doe nooit anders.’

Als student klassieke talen (die tot doctor zou promoveren) had Gorter een negatieve ervaring met literatuuroverdracht:

Ik zat toen heel stil te werken,
de boeken waren als zerken
voor me, ik wist wel wat
elk graf in zich had.
 
Om de dode letter weer tot leven te wekken laat hij als een soort surrealist avant la lettre de zintuiglijke prikkels resoneren in het onderbewuste:
 
Ik zat eens heel alleen te spelen
op een gedachteharp, de kelen
van schemering en duisternis om mij
fluisterden liedjes, het leek toverij.
 
Deze woordmagie brengt Willem Kloos ertoe de poëzie tot oertaal uit te roepen: ‘kunst is de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie’.

De prijs die Gorter hiervoor moet betalen is de labiliteit van zijn eigen gevoelsleven, ‘een lach- of een schreibegin’. Niet voor niets gaat een van de indrukwekkendste gedichten (‘In de zwarte nacht is een mens aangetreden’) over de zelfmoord door verdrinking van de zangeres Anna Witsen. Bij Gorter wordt dit een kosmisch gebeuren:

en de wind en de wolken hebben stil gestaan,
ze hadden het niet gedacht,
(…)
en de vaders en de voorouders
(…)
en de kinderen die ze had willen baren,
kwamen rondom
tegen de bomen staan, ze waren
klein en stom

Achteraf omschreef Gorter de ontstaansfase van zijn Verzen als volgt: ‘Ik liep een jaar rond met een licht hoofd en rare ogen als ik er nu aan denk. Mijn gezondheid leed er zeer diep onder’.

Vaak klinkt bij Gorter het besef van de onmacht van de taal, iets wat vooral opduikt in de liefdesgedichten:

Ik wilde ik kon u iets geven
tot troost diep in uw leven,
maar ik heb woorden alleen,
namen, en dingen geen.
 
De reden: ‘Ik was toen een arme jongen / met te groot verlangen.’ Maar ook: taal is niet geschikt om het unieke van de ervaring weer te geven.

Om dat ‘onmiddellijke leven’ dat hij zo liefhad weer te geven verlegde Gorter de grenzen van wat tot dan toe in poëzie en zelfs in taal mogelijk werd geacht. Versbouw, zinsbouw, woordvorming, hij zette het allemaal naar zijn hand. Het is dan ook niet verwonderlijk dat latere generaties die de poëzie radicaal wilden vernieuwen in Gorter een voorloper zagen. Wanneer Paul Rodenko in 1954 de nieuwe dichters van de avant-garde presenteerde, gaf hij aan zijn bloemlezing Nieuwe griffels schone leien de ondertitel ‘van Gorter tot Lucebert van Gezelle tot Hugo Claus’.'

Verzen - Daniel

Herman Gorter

Herman Gorter
Na zijn opleiding klassieke talen in Amsterdam was Herman Gorter (1864-1927) een tijd leerkracht, maar lang hield hij dat niet vol. Als schrijver maakte hij vooral furore met zijn poëzie.
 
Vooral zijn bundel Verzen (1890) liet een diepe indruk na. Maar ook uit het lange gedicht Mei (1889), de bundel Een klein heldendicht (1906) en het epische gedicht Pan (1912) blijkt zijn uitzonderlijke talent. Het beginvers van Mei (‘Een nieuwe lente en een nieuw geluid’) werd een vaste uitdrukking in onze taal.
Gorter maakte ook vertalingen (o.a. Spinoza’s Ethica) en schreef essays. Van die laatste werden er enkele postuum verzameld in De groote dichters (1935).
 
Als vriend van Willem Kloos was Gorter aanvankelijk sterk beïnvloed door de Tachtigers. Zijn poëzie uit die periode wordt ook nog altijd erg gewaardeerd. Na 1890 zette hij zich weliswaar af tegen de Tachtigers en sympathiseerde hij steeds meer met het socialistische en marxistische gedachtengoed. Hij was politiek actief en probeerde zijn ideeën in zijn poëzie te integreren.
 
Gorter kampte met depressies en kende een turbulent liefdesleven. Buiten zijn huwelijk was hij in een aantal verhoudingen verwikkeld, o.a. met Ada Prins, de eerste vrouwelijke doctor in de chemie.

context