facebookglueinstagramlinkedinpinteresttwitter
Kies je taal:

Verzen
Herman Gorter


1890, poëzie
Gorter Verzen 210 317 S C1 C C 0 0 1

Al kort na het verschijnen van Mei (1889) veranderde Gorters poëzie: ‘ik had zelf dat onmiddellijke leven zo lief, ik had zo’n voorgevoel ook dat er in dat leven een nog veel diepere schoonheid lag, dat ik besloot te trachten poëzie te maken van de onmiddellijke realiteit – zonder de traditie van vroegere tijden.’

De bundel Verzen wordt de verklanking van Gorters ‘eigen zinnelijk-onmiddellijk gevoel’.  Lodewijk van Deyssel vond de gedichten vooral ‘sensitief’. In een brief aan die Nederlandse schrijver schreef Gorter: ‘Als Uw boeken de dagen zijn, de dagen van de daden, van den gang van het leven, deze verzen zijn de ogenblikken, de losse ogenblikken in die dagen.’ En Willem Kloos, die andere bekende tijdgenoot van Gorter, kreeg in een brief te lezen: ‘Hoor eens ouwe kerel, jij die er mee begonnen bent, oude geluidgod, je moet niet denken dat ik de ouwe geboden vergeet. Voor ik schrijf, wacht ik tot het klinkt in mijn oren, en als ik ophou is het omdat mijn oren òp zijn. Geloof dat maar al zie je me rare dingen doen. Ik doe nooit anders.’

Als student klassieke talen (die tot doctor zou promoveren) had Gorter een negatieve ervaring met literatuuroverdracht:

Ik zat toen heel stil te werken,
de boeken waren als zerken
voor me, ik wist wel wat
elk graf in zich had.
 
Om de dode letter weer tot leven te wekken laat hij als een soort surrealist avant la lettre de zintuiglijke prikkels resoneren in het onderbewuste:
 
Ik zat eens heel alleen te spelen
op een gedachteharp, de kelen
van schemering en duisternis om mij
fluisterden liedjes, het leek toverij.
 
Deze woordmagie brengt Willem Kloos ertoe de poëzie tot oertaal uit te roepen: ‘kunst is de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie’.

De prijs die Gorter hiervoor moet betalen is de labiliteit van zijn eigen gevoelsleven, ‘een lach- of een schreibegin’. Niet voor niets gaat een van de indrukwekkendste gedichten (‘In de zwarte nacht is een mens aangetreden’) over de zelfmoord door verdrinking van de zangeres Anna Witsen. Bij Gorter wordt dit een kosmisch gebeuren:

en de wind en de wolken hebben stil gestaan,
ze hadden het niet gedacht,
(…)
en de vaders en de voorouders
(…)
en de kinderen die ze had willen baren,
kwamen rondom
tegen de bomen staan, ze waren
klein en stom

Achteraf omschreef Gorter de ontstaansfase van zijn Verzen als volgt: ‘Ik liep een jaar rond met een licht hoofd en rare ogen als ik er nu aan denk. Mijn gezondheid leed er zeer diep onder’.

Vaak klinkt bij Gorter het besef van de onmacht van de taal, iets wat vooral opduikt in de liefdesgedichten:

Ik wilde ik kon u iets geven
tot troost diep in uw leven,
maar ik heb woorden alleen,
namen, en dingen geen.
 
De reden: ‘Ik was toen een arme jongen / met te groot verlangen.’ Maar ook: taal is niet geschikt om het unieke van de ervaring weer te geven.

Om dat ‘onmiddellijke leven’ dat hij zo liefhad weer te geven verlegde Gorter de grenzen van wat tot dan toe in poëzie en zelfs in taal mogelijk werd geacht. Versbouw, zinsbouw, woordvorming, hij zette het allemaal naar zijn hand. Het is dan ook niet verwonderlijk dat latere generaties die de poëzie radicaal wilden vernieuwen in Gorter een voorloper zagen. Wanneer Paul Rodenko in 1954 de nieuwe dichters van de avant-garde presenteerde, gaf hij aan zijn bloemlezing Nieuwe griffels schone leien de ondertitel ‘van Gorter tot Lucebert van Gezelle tot Hugo Claus’.'

Verzen1 550 825 90 S C1 C C 0 0 1

Herman Gorter

Gorter 250 250 90 S C1 C C 0 0 1

Herman Gorter (Wormerveer, 1864 – Sint-Joost-ten-Node, 1927) studeerde klassieke letteren en ging na zijn studies kort aan de slag als leraar in een gymnasium in Amersfoort. Dat bestaan verveelde hem echter dermate dat hij het niet lang volhield, ontslag nam en als privéleraar aan de slag ging. Hij trouwde in 1890 met een jeugdliefde, maar hield er later verschillende minnaressen op na, die invloed hadden op zijn poëzie. Hij sukkelde met zijn gezondheid en bracht veel tijd door in Zwitserland. Op de terugweg van een verblijf daar, overleed hij in een Brussels hotel aan een hartaanval.

Als schrijver maakte Gorter vooral furore met zijn poëzie. Hij was bevriend met Willem Kloos en was aanvankelijk sterk beïnvloed door de Tachtigers. Het eerste deel (de eerste ‘zang’) van zijn lange gedicht Mei werd gepubliceerd in De Nieuwe Gids, en ook zijn bundel Verzen (1890) werd in de kringen van de Tachtigers goed onthaald.

Op het einde van de negentiende eeuw raakte Gorter meer en meer politiek geëngageerd. Hij werd in 1897 lid van de SDAP (Sociaal-Democratische Arbeiderspartij) en werd een vurige pleitbezorger van het socialisme. In 1909 was hij nauw betrokken bij de afsplitsing van de SDP, die een nog linksere koers wilde varen dan de moederpartij, en in 1920 was hij aanwezig op een internationaal congres van communisten in Moskou, waar hij zijn visie tegenover Lenin uiteenzette.

Onder invloed van zijn politiek engagement werd zijn poëzie militanter, en hij keerde zich gaandeweg af van de Tachtigers. In Een klein heldendicht (1906), naar aanleiding van de Eerste Russische Revolutie, en het epische gedicht Pan (1912) is die politieke bewustwording duidelijk voelbaar. Na de Eerste Wereldoorlog zocht Gorter contact met communisten in binnen- en buitenland, overtuigd als hij was dat het socialisme in West-Europa vaste voet aan de grond zou krijgen. Die droom bleek een illusie. Toen hij in 1927 overleed was Gorter zowel in dichterskringen als politiek geïsoleerd geraakt. Toch geniet zowel zijn vroege werk in de geest van Tachtig als zijn politieke poëzie vandaag nog steeds ruime waardering.

Context