facebookglueinstagramlinkedinpinteresttwitter
Kies je taal:

Refreinen (I)
Anna Bijns


1528, poëzie
Bijns Cover

De voor ons zo vanzelfsprekende gewoonte van dichters om met een aantal van hun gedichten een bundel samen te stellen en die voor potentiële kopers en lezers in druk te laten verschijnen, is in de Nederlandse literatuur pas in de jaren zestig van de zestiende eeuw – meer dan een eeuw na de uitvinding van de boekdrukkunst dus – op gang gekomen.

Het waren met name de literaire vernieuwers van de zogenaamde ‘vroege renaissance’, Lucas d’Heere, Jan Baptist Houwaert en Jan van der Noot, die in de genoemde periode met het uitgeven van eigen dichtbundels zijn begonnen.

Toch verscheen de eerste Nederlandstalige bundel tijdens het leven van een dichter al in 1528. De titel van het in Antwerpen uitgegeven boekje luidt: Dit is een schoon ende suverlijc boecxken / inhoudende veel scoone constige refereinen […] / seer wel gemaect vander eersame ende ingeniose maecht Anna Bijns […]. De dichter in kwestie was dus een dichteres, Anna Bijns (1493-1575), en de 23 gedichten die de bundel bevat, zijn op één na allemaal ‘refreinen’. Het refrein was de belangrijkste dichtvorm die systematisch werd beoefend in de dicht- en toneelgezelschappen die in de vijftiende en zestiende eeuw in de Nederlanden het literaire leven domineerden, de zogenaamde ‘rederijkerskamers’. Met zijn per strofe identieke slotregel, die het thema van het gedicht kernachtig kon verwoorden, paste het refrein uitstekend bij de in de kamers vooral op voordracht en een luisterend publiek gerichte kunst van het gesproken woord. Door liefhebbers werden refreinteksten daarnaast ook voor eigen gebruik verzameld en in handschriften gekopieerd.

Uit de genoemde periode zijn er ongeveer 2.300 refreinen overgeleverd, waaronder zowat 220 van Anna Bijns. Deze Antwerpse schooljuffrouw beheerste de regels van het genre volkomen. Dankzij haar beeldend taalvermogen, haar suggestief-muzikale gebruik van rijm en ritme, haar persoonlijk engagement en affectieve retoriek behoren haar refreinen tot de beste die ooit zijn geschreven. Getalenteerd als ze was, zou Anna Bijns een perfecte artistieke leider van een kamer zijn geweest. Binnen de door mannen beheerste wereld van de rederijkers was zo’n officiële functie voor haar echter uitgesloten. Toch heeft Anna Bijns zichzelf als een ware ‘rederijkster’ onder de rederijkers beschouwd. Dankzij de drukpers werd zij onder hen bovendien het meest vermaard.

Het bundelen en laten drukken van eigen gedichten werd binnen de rederijkerskamers als een vorm van ongepaste profileringsdrang ten koste van het gezelschap beschouwd. Deze rem kon voor Anna Bijns alvast worden gelost. Bovendien vond de dichteres veel waardering voor haar werk bij de minderbroeders in het klooster bij haar in de buurt. Anders dan veel rederijkers koos zij immers ook duidelijk positie tégen de opkomende Hervorming. De minderbroeders, die wel de weg naar de drukpers kenden, hebben de kans niet laten liggen. Respectievelijk in 1528, 1548 en 1567 bezorgden zij drie refreinenbundels van Anna Bijns. Ze bevatten alleen religieuze en moraliserende gedichten en bieden bijgevolg maar een specifieke selectie uit een oeuvre dat ook geslaagde amoureuze en komische refreinen omvat. Vooral de eerste twee bundels waren als een fel verweer tegen Luther en diens ‘ketterse’ geestverwanten bedoeld. Met afschrikwekkende beelden en vernietigende vergelijkingen schilderde Anna Bijns daarin Luther en de zijnen af als handlangers van de duivel en als directe oorzaak van alle ellende. De drie bundels werden tot in de zeventiende eeuw herdrukt. Van de eerste verscheen in 1529 een Latijnse vertaling, waardoor Anna Bijns ook naam en faam in het buitenland verwierf.

 

Video

Schrijver en emeritus hoogleraar Herman Pleij praat over zijn biografie Anna Bijns van Antwerpen en leest een van haar gedichten voor.
Refreinen

Anna Bijns

Anna  Bijns

Anna Bijns (Antwerpen, 1493 – Antwerpen, 1575) werd geboren als oudste van drie kinderen in een vrij modaal Antwerps gezin. Anna bracht haar jeugd door in het huis ‘De Cleyn Wolvinne’ aan de Grote Markt (vandaag nummer 46), waar haar vader als kleermaker werkte. Toen die in 1516 stierf verhuisde het gezin naar het huis ‘De Patiencie’ in de Keizerstraat. Anna’s broer opende er een schooltje, waar Anna ook lesgaf. Dat zou ze haar hele leven blijven doen.

Waarschijnlijk omstreeks 1520 begon Anna zelf te schrijven, wat voor een vrouw in die tijd helemaal niet vanzelfsprekend was. Misschien trad ze in de voetsporen van haar vader, die zich in kringen van rederijkers bewoog. Anna’s werk sluit ook goed aan bij dat van de rederijkers, maar zelf was ze waarschijnlijk nooit lid van een kamer: dat was in Brabant voor vrouwen zo goed als onmogelijk. Toch is haar literaire werk misschien wel bekender dan dat van haar mannelijke tijdgenoten. Terwijl rederijkers vanuit een soort bescheidenheid hun teksten aanvankelijk niet lieten drukken, of in elk geval niet in eigen naam, verschenen van Anna’s refreinen nog tijdens haar leven verschillende gedrukte verzamelingen.

Het succes van Anna’s refreinen is mede te danken aan hun militante toon ten opzichte van de protestanten. In de woelige zestiende eeuw werden de Nederlanden verscheurd door godsdiensttwisten tussen katholieken en protestanten. Anna koos resoluut de kant van de katholieke kerk en schilderde Maarten Luther in haar gedichten af als een handlanger van de duivel. Ze vond medestanders in de Antwerpse minderbroeders, die haar met plezier hielpen om haar anti-Lutherse gedichten op de drukpers te leggen.

Anna Bijns bleef ongehuwd en hield er overigens een erg kritische mening op na over het huwelijk. Ze stierf in 1575 op 82-jarige leeftijd, in de stad die ze tijdens haar leven nooit of slechts bij hoge uitzondering heeft verlaten. 

Context